10 november, 2007

De gekruisigde communist van Galilea - anarchisten op de kansel in Nederland 1870-heden



Rood-zwarte dominees


Rooie dominees, betogen Paul Denekamp en Herman Noordegraaf in Onvoltooid verleden nr.16, zijn schaars en de toekomst van het fenomeen is onzeker. Rooie dominees zijn in hun verhaal verbonden met de S.D.A.P. en de voortzettingen of afsplitsingen ervan. Voor beide zijden was het schrikken: voor de sociaal-democraten, die godsdienst privézaak achtten, en voor de Kerk. Maar kiezen voor de sociaal-democratie was en is nu niet direct de radicaalste stap die een voorganger (v/m) kan zetten. Anarchistische dominees waren (en zijn?) voor beide instituties een veel grotere ergernis.

Er zijn drie niveaus waarop anarchistische voorgangers in de ruimste zin des woords te onderscheiden zijn. Het ruimste is tevens anachronistisch: het behoort tot de traditie van het christendom om de wereldlijke macht af te wijzen, de keizer te geven wat des keizers is zonder dit op bijzondere manier te achten. Dit moet anachronistisch heten, omdat deze traditie heel wat ouder is dan het begrip anarchisme. Zij is waar te nemen in de Kerk - met Kerk bedoel ik de gemeenschap van gelovigen, de enige, heilige algemene, zoals genoemd in de apostolische geloofsbelijdenis - een gemeenschap die buiten deze belijdenis nooit bestaan heeft. Men gelieve het op te vatten als: allen die zich binnen georganiseerd verband christen noemen, aan de rand en erbuiten - al dan niet buitengezet: de reien der ketters zijn gevuld met afwijzers van de wereldlijke overheid. De traditie is voor dit verhaal van belang omdat er voorgangers of theologen in passen die zich niet anarchistisch of expliciet niet-anarchistisch noemen. Verder beroepen (christen-anarchisten zich meestal op dit geestelijk of politiek voorgeslacht om te onderstrepen dat wat zij nastreven niets nieuws is.

Het tweede niveau is dat van de voorganger. Hierna is geen sprake van vrouwelijke predikanten, omdat het ambt nog niet lang genoeg open is voor vrouwen om op dit punt geschiedenis te hebben gemaakt - de toekomst is weer een ander verhaal. Het gaat hier om de predikant die voor het anarchisme als sociaal-politieke stroming kiest, en daarbij ook nog predikant blijft. De bekendste voorbeelden van predikanten die voor het anarchisme kiezen zijn degenen die hun toga aan de wilgen hingen voordat ze anarchist werden: Ferdinand Domela Nieuwenhuis en Bart de Ligt. De eerste was na het opgeven van het ambt zoals bekend eerst nog sociaal-democraat, de tweede was actief christen-socialist terwijl hij nog predikant was. Maar er waren er die bleven.

Het derde niveau is dat van de groep die zich christen-anarchist, of later religieus-anarchist noemden. Het onderscheid wordt vaak in contemporaine discussies rond de voorgangers gebruikt, reden om het hier aan te brengen - in de praktijk zijn er niet zulke duidelijke scheidslijnen aan te brengen.

Het begrip "christelijk anarchisme" wordt in 1893 geïntroduceerd in Nederland door Louis A. Bähler, dan nog niet beroepen als predikant, in zijn vertaling van Eugen Heinrich Schmitts signalement van Tolstojs denken. Niet-christen-anarchisten hebben vaak de christen- en ook wel de religieus-anarchisten aangeduid met de term "tolstojanen". Zelf maakte men uitdrukkelijk onderscheid: in Engeland was een tolstojaanse beweging, en in Nederland kan iemand als J.K. van der Veer zo aangeduid worden. Nederlands bekendste en misschien wel enige tolstojaan Van der Veer schrok nogal van de Engelse geestverwanten en sloot zich na terugkeer aan bij de S.D.A.P., om daar tenslotte ook geen blijvend onderdak te vinden. De predikanten en andere christen-anarchisten weigerden zich met alle respect en bewondering voor Tolstoj zo te noemen. Blijde-Werelddominee S.K. Bakker had voordat hij zich aansloot bij de S.D.A.P. naar verluidt "tolstojaanse" sympathieën. Hiervan heb ik vooralsnog geen papieren spoor gevonden.

Het christen-anarchisme dient zich aan in de kolommen van het blad van de modernistische stroming, de Nederlandsche Protestantenbond, De Hervorming, tussen omstreeks 1890 en 1897. De sociale kwestie en de remedie(s) ertegen kwamen regelmatig aan de orde, op hoog niveau, waarbij ernstig werd nagedacht over de verdiensten en onverdiensten van "het socialisme". Omdat de meeste predikanten dicht bij de vrijzinnig-democratische stroming stonden, het moderne liberalisme van die tijd, sprak uit veel bijdragen een huivering voor een te machtige staat, en in het algemeen werd deze als het resultaat van het sociaal-democratische streven gezien. Het staatsafwijzende anarchisme met inspiratie door Tolstoj was in deze sfeer een stap die voort leek te kunnen komen uit deze discussies.
De "opstandige jongeren" rond de moderne stroming van De Hervorming zagen dit verband, dat zich bij beschouwing achteraf aandient, niet, en toonden zich ongeduldig. Er was te weinig ruimte voor bijdragen in hun geest, vonden zij, en in 1897 beginnen zij voor zichzelf in het blad Vrede, dat bepaald niet alleen gevuld werd door predikanten. Alleen de meest tolstojaans aandoende schrijver in De Hervorming, H.W.Ph.E. van den Bergh van Eysinga, neemt deze overstap niet, en hij distantieert zich weldra op nogal grove wijze van Tolstoj maar alles welbeschouwd kan men zeggen dat hij in theologische zin nooit ver verwijderd is geweest van de anarchistische staatsafwijzing, hetgeen hij ook zelf toegaf. Maar omdat hij politiek koos voor de sociaal-democratie hoeft hij hier niet te tellen.

Boeddha



De spraakmakendste (christen-)anarchistische dominee van honderd jaar geleden was ongetwijfeld Louis A. Bähler (1867-1941), die achtereenvolgens op Schiermonnikoog (1895-1902), te Oosterwolde (Fr.) (1902-1909) en Aduard (1909-1911) stond. Als uitgesproken christen-anarchist en theosoof populariseerde hij het boeddhisme in Nederland (zijn boek Het boeddhisme is overigens in vele talen vertaald), hield hij pantheïstische preken en sprak hij voor weerloosheid en dienstweigering, vegetarisme, geheel¨onthouding en rein leven, vaste thema's van het christen-anarchisme. Op Schiermonnikoog betoonde hij zich een "rare" ten opzichte van zijn gemeente, door partij te trekken voor zeehonden, de vijanden van de plaatselijke vissers. Als modernistisch dominee achtte hij het mogelijk dat "Jezus van Nazareth" een constructie was, geënt op de Boeddha, al heeft hij in die zin nooit gepreekt. Niettemin werd het de anti-modernisten in de Nederlandse Hervormde Kerk te veel, toen Bähler met kennelijke instemming de (vermoedelijk gefalsificeerde) brochure Het christelijk barbarendom in Europa vertaalde, waarin opgeroepen werd tot boeddhistische zending.

Toen Bähler hiervoor niet berispt werd, was de maat vol voor de antimodernisten, die de Gereformeerde Bond binnen de kerk oprichtten als vaste burcht van antimodernisme (1906). Zijn kerkelijke gemeenten stonden vrijwel altijd geheel achter hem, maar in 1911 kwam hij in botsing met de kerkeraad in Aduard en gaf hij het predikantschap op. Hij bleef wel catechisator.


Grote verwachtingen van de christen-anarchistische kolonie te Blaricum hadden de voorgangers Anne de Koe (1866-1941) en S.C. Kylstra. De eerste gaf het predikantschap op in marinehaven Den Helder voor de kolonie, wat een zeer consequente stap mag heten, en is na de al snel zich aandienende teleurstelling hierop in ieder geval niet teruggekomen. Hij werd lid van de S.D.A.P., zelfs raadslid in diverse plaatsen en was directeur van Ons Huis te Rotterdam. De AJC moet veel profijt gehad hebben van zijn inventarisatie van Nederlandse volksdansen. Kylstra herneemt wel het ambt, te Oterleek en later te Sint-Jacobiparochie, hij wordt lid van de Blijde-Wereldgroep na het drama van Blaricum, en emigreert in 1913 naar de Verenigde Staten. Predikanten die in de kolommen van Vrede opduiken zijn verder J. Klein, A.W. van Wijk en H. Meijer, die dominee was te Smilde. Evenals Bähler heeft Meijer zich vanaf de kansel negatief uitgelaten over de verering die de jonge koningin Wilhelmina ten deel viel - niet beslist een anarchistisch thema, de afwijzing was wel onderbouwd met evangeliecitaten.

Nieuwe-Niedorp


De afwijzing van alle geweld - en daarmee van de staat als geweldsmonopolist vooral in de vorm van de krijgsmacht -
op christelijke gronden was niet alleen voorbehouden aan degenen die zich christen-anarchisten noemden. De ethische strekking die de hoofdstroom van het Nederlandse anarchisme kenmerkt maakt het op het eerste gezicht moeilijk de "voorgangers van het tweede niveau" zoals boven omschreven te onderscheiden. Over twee van hen, Année Rinzes de Jong - prediker buiten de Kerk - en J. Sevenster heeft Herman Noordegraaf een biografische schets in boekvorm geschreven. Zij worden verrassenderwijs niet genoemd in het stuk over "rooie dominees". Wel wordt N.J.C. Schermerhorn (1866-1956) genoemd als christen-anarchist, maar deze voorganger te Beets (1892-1894) en Nieuwe-Niedorp (1894-1929) maakte geen deel uit van de Vrede-groep of Internationale Broederschap. Hij was een van de oprichters van de Internationale Anti-Militaristische Vereeniging, samen met Domela, in 1904, en was redacteur van De Wapens Neder van 1910 tot 1923. Wel was hij een van degenen met wie Bähler in 1915 contact opnam bij het initiatief tot het geruchtmakende Dienstweigeringsmanifest. Schermerhorn ging ver in zijn vrijzinnigheid en het uitdragen van het anarchistisch socialisme.

Hij hield in 1901 een 1-mei-toespraak in de kerk, hij schafte op den duur de zondagochtenddienst af evenals doop en gebed. Het bracht hem klaarblijkelijk niet zo in gevaar als Bähler eerder. Nieuwe-Niedorp, zijn gemeente, springt er dankzij zijn ijveren in het toch al zo vrijzinnige Noord-Holland uit doordat zijn oproepen tot individuele dienstweigering er goed gehoor vonden. Ook de landbouwkolonie op christen-anarchistische grondslag - klaarblijkelijk gedreven door beroepslandbouwers - hield het 't langst in Nieuwe-Niedorp.

De vroegste prediker-tevens-anarchist die ik tot nu toe heb kunnen ontwaren is H.C.J. Krijthe (1825-1902), bijgenaamd de profeet van Coevorden. Hij was geen beroepen voorganger in de Kerk, werd evenwel kort na de oprichting lid van de Nederlandsche Protestantenbond (1870) en later ook van de vrijdenkersvereniging De Dageraad (1882). Hoewel - alweer achteraf beschouwd - het theologisch modernisme en het toenmalige vrijdenken niet zover van elkaar afstonden, was de combinatie opmerkelijk. Vooral in het vrijzinnige Drenthe maakte hij in de vroege tijd van de arbeidersbeweging de geesten rijp voor het socialisme, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de "gekruisigde communist van Galilea".

Alle genoemde prekers of voorgangers komen uit de vrijzinnige (moderne) kring in de Nederlandse Hervormde Kerk. Kees Koning was allang geen aalmoezenier meer toen hij desgevraagd zijn medewerking toezegde aan het christen-anarchisme nummer van De AS (1991), blijmoedig zeggende "ja, dat ben ik wel" op mijn insinuatie dat hij christen-anarchist zou zijn. Helaas is die bijdrage niet gekomen. Dat het niet (meer) ondenkbaar is dat de Rooms-Katholieke Kerk in Nederland pastores zal kennen die binnen het anarchistische paradigma vallen lijkt mij duidelijk. Koning en de ook in Nederland werkzame Catholic Worker-beweging kunnen op nogal wat sympathie rekenen, en in franciscaanse kringen deinst men zeker niet van schrik terug bij het woord "anarchisme". Als er al geen rood-zwarte dominees meer zouden komen, wat ik overigens sterk betwijfel, kunnen we in de toekomst vast nog wel rood-zwarte pastores verwachten.

Ruurlo



De zuiverste vertegenwoordiger van het eerste niveau was geen dominee, maar naar eigen zeggen "eenvoudig" evangelist. Hij achtte zich vertegenwoordiger van de rechtzinnige vleugel van de Nederlandse Hervormde Kerk, hetgeen vooral wil zeggen dat hij geen modernist was. Hij heeft meermalen uitdrukkelijk geschreven geen anarchist of christen-anarchist te zijn. Hilbrandt Boschma (1869-1954) streefde naar het Godsrijk, een nieuwe wereldorde voortkomend uit het aanvaarden van het kruis van Christus. Een theologisch eenvoudig aandoende gedachte waarvan de consequentie evenwel het afwijzen van de macht van de staat, de volkswil (de "democratie") en de officiële kerk met zich meebracht. Het Godsrijk houdt eerbied voor het leven van de medemens in, het vergiffenis schenken aan vijanden en het leiden van een sober leven waarbij men in de vorm van nuttige arbeid meer aan de gemeenschap geeft dan men hiervan terug zou krijgen. Staat en militarisme, het idee van straffen, kapitalisme en bolsjewisme waren niet in overeenstemming met het Godsrijk. In ethisch opzicht stonden zich christelijk noemende poltici en Stalin dichter bij elkaar dan bij het Godsrijk.

Zijn afwijzen van het militarisme kwam voort uit ervaring: hij was acht jaar beroepsmilitair, voordat hij godsdienstonderwijzer en vervolgens voorganger (1905-1938) te Ruurlo was. In 1915 baart hij opzien met zijn afwijzing van alle geweld in Oorlog en christendom, voorzien van een voorwoord van Bähler. Hij was vanaf de oprichting betrokken bij de groep Kerk en Vrede, maar bleek ook hier in zijn afwijzen van de staatsmacht een buitenbeentje. Nogmaals, hij noemde zich zelf uitdrukkelijk geen anarchist maar hij was in feite de zuiverste en volhardendste vertegenwoordiger van een christelijk staatafwijzend socialisme die in Nederland te vinden is geweest, en daarbij een trouw voorganger in zijn landelijke gemeente. Zijn aanhang in de rest van het land bediende hij met preken en toespraken, meestal eerst verschenen in zijn in zelfbeheer uitgegeven reeks Licht en liefde, verschenen tussen 1914 en 1948.