17 april, 2014

Requiem voor Themroc

Lang heeft deze film op bijeenkomsten op het menu gestaan als "anarchistische film". Ik kan hem niet meer zien, denk ik. U misschien wel. Ik aanvaard geen verantwoordelijkheid voor de inhoud...

Themroc

Dierbaarder en volgens mij geloofwaardiger is Alain Tanner, van wie Réquiem, een ontmoeting met de Geest van Fernando Pessoa, te zien is. Het is mij ontgaan dat (of) deze film de Nederlandse bioscopen nog gehaald heeft in 1998 of kort daarna.

De vreedzame broederlijkheid aan gene zijde

Parker Bros. heeft een uitgave van het Ouijabord - straks is het nog copyrighted ook, althans het merk - en een andere naam er voor zou "planchet" zijn. In Mijn contacten met een andere wereld door A.E.G. Post Uiterweer (gestencilde uitgave in eigen beheer uit 1955, in 1997 pas echt gedrukt uitgegeven onder de titel Voorbij de grens van de dood) wordt het toegepast via een medium dat blijkbaar het schrijven leidt. Er komen evenwel berichten door van mensen die de schrijver hetzij niet kent of van wie hij niet weet dat zij overleden zijn. De berichten schetsen een wereld waar geen tijd is maar van waaruit niettemin boodschappen doorgegeven kunnen worden. Het is een wereld waar alle vragen beantwoord zijn, waar vrede heerst en gelijkheid. De bloemen die men er ziet zijn geestelijke bloemen.

Ik vind het moeilijk om zomaar geloof te hechten aan verhalen over media die het contact met gene zijde verzorgen. Waarom is zo'n medium nodig? Waarom het planchet, als influistering op de een of andere wijze net zo goed zou kunnen?
Een oudtante [de precieze familierelatie zou om een ander woord vragen maar dat weet ik niet] deed, zoals het besmuikt heette op familieavondjes "aan hocuspocus" - het was mw. Mulder-Schalekamp, die tot mijn verrassing Felix Ortt heeft opgevolgd als redacteur van Spiritische bladen, ook omstreeks 1955. Zij was al overleden toen ik Ortt nog moest ontdekken, ik heb slechts een enkele opmerking van mijn tante, uit de derde hand dus, over hem kunnen loskrijgen. Ik vond haar beschrijving moeilijk te rijmen met het beeld dat ik van de man had, tot ik bij Oorlogsdocumentatie vernam over het lot van zijn zoon onder de beulshanden van de bezetter.

Eigenlijk doet het er ook niet zo veel toe of de "doorgevingen van gene zijde" nu zijn wat gezegd wordt dat ze zijn. Ortt beveelt de bevindingen van de oud-luitenant ter zee tweede klasse, gepensioneerd adjunct-inspecteur voor de scheepvaart aan als behorende tot het meest overtuigende en leerzame dat hij op het gebied van het spiritisme heeft gelezen. Hij verwerpt de afwijzing uit Deuteronomium van het raadplegen 18 van "de doden":

9 Wanneer gij komt in het land, dat de HEERE, uw God, u geven zal, zo zult gij niet leren te doen naar de gruwelen van dezelve volken. 10 Onder u zal niet gevonden worden, die zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet doorgaan, die met waarzeggerijen omgaat, een guichelaar, of die op vogelgeschrei acht geeft, of tovenaar. 11 Of een bezweerder, die met bezwering omgaat, of die een waarzeggenden geest vraagt, of een duivelskunstenaar, of die de doden vraagt. 12 Want al wie zulks doet, is den HEERE een gruwel; en om dezer gruwelen wil verdrijft hen de HEERE, uw God, voor uw aangezicht, uit de bezitting.
Dit was het volk van Israël, stelt hij, verboden in hun aanraking met de Kanaänitische volken. Post Uiterweer - de eerste en misschien wel enige die zich leerling betoont van Ortts pneumat-energetisch monisme - stelt dat de levensenergie nadat het lichaam het heeft opgegeven doorwerkt en zo de doorgevingen mogelijk maakt.

Mijn conclusie: zeker na de bezetting, het verzet waar zijn zoon een rol in heeft gespeeld en het leven bij gelaten heeft, is voor Ortt het idee van socialisme (anarchisme) als een toestand onder levenden naar het lijkt geheel vervangen door het vooruitzicht van vrede, gelijkheid en broeder/zusterschap hiernamaals. Als ik in dialoog mag treden: het lijkt mij nog steeds beter het aan deze zijde na te streven.

16 april, 2014

Gandhi en Brahmacharya

In een los geschrift over gezondheid van Gandhi, waar ik nog verder op terugkom, wijst de schrijver uitdrukkelijk op het belang van brahmacharya, een soort onthouding die sterk doet denken aan die van de Rein Levenbeweging. De voor mijn gevoel bizarre en exotische standpunten van deze beweging, motor achter het christen- en religieus anarchisme in Nederland worden geëchood in Gandhi's presentatie van de kunst van onthouding die blijkbaar in de godsdiensten van India gepredikt wordt.

Zoals wel vaker in de afgelopen eeuw(en - misschien) wordt voor een irrationeel voorschrift een rationele uitleg en vermaning bedacht. De man is wellustig, laat zich door zijn seksuele behoeften meeslepen ten koste van de zwakke vrouw, begint al aan van dattum op veel te vroege leeftijd (voor zijn vijfentwintigste! - ach, kijk eens aan, wat mij betreft dan een meevaller) en brandt daarmee zijn levenskracht op. Alle pseudo-geneeskundige en rationele overwegingen die de RLB hanteerde komen terug in Gandhi's vertoog - ik moet denken aan de vreselijke ziekten die beloofd werden vanwege de geheime gewoonte - en gemeenschap voor het huwelijk, die klaarblijkelijk diende plaats te hebben tegen betaling leverde vanzelf al vreselijke ziekten op.

Brahmacharya kan nog steeds in verwante pseudorationele termen worden uitgelegd, maar men doet er wijs aan er niet te veel tekort aan zelfzucht achter te zoeken. Het nagestreefde celibaat doet sterk denken aan het voorschrift in de roomse kerk aan priesters en monniken. Waarschijnlijk brengt het ook net zoveel schijnheiligheid met zich mee.


15 april, 2014

Reisgids voor het anarchisme

Het anarchisme wordt niet meer welwillend bekeken door de staatsmedia, een term die mij passender lijkt dan 'burgerlijke media'.
Een tijdje was het wel artistiek verantwoord, het anarchisme was niet besmet met de lasten waaronder het reëel bestaande socialisme gebukt en ten onder is gegaan. Maar rumoerig anti-kapitalisme en natuurlijk vooral de massabeweging die de staatsmedia 'antiglobalisme' noemen hebben het anarchisme zijn slechte naam terugbezorgd. Het heeft zijn propagandistische Schuldigkeit als suf broertje van het liberalisme gedaan, het kan gaan. Maar het lijkt te bloeien als nooit tevoren, juist in de genoemde beweging(en). Met argwaan zag ik een boek Anarchism in de winkel staan, geschreven door een reisgidsenschrijver. Weer een rommelige en onwetende inleiding, dacht ik, en nog peperduur ook.

Class war besteedde er een zeer positieve bespreking aan, en dit leek mij een aanbeveling - het Britse blad is mij dierbaar, al kan ik nogal wat bezwaren aanvoeren tegen hun uitleg van het anarchisme. Dit geldt waarschijnlijk ook voor genoemde reisboeken schrijver, Seán M. Sheehan, die Class War meermalen tamelijk waarderend vermeldt zonder hun 'lijn' te vertegenwoordigen.

Sheehan is blijkbaar ook politiek-ideologisch op reis. Blijkens het achterplat heeft hij ook een gids tot Wittgenstein geschreven, en dan was hij al een beetje in de buurt. De anti-kapitalistische of de tophopbeweging heeft hem over de streep getrokken en dit was aanleiding tot een essayistische benadering van hoe anarchisme dezer dagen vorm te geven. Het is dus niet zozeer een benadering van 'zoveel jaren' anarchisme aan de hand van grote of minder grote namen, het is vooral een streven het staatloze socialisme alsnog te verrijken met de erfenis van Karl Marx en Friedrich Nietzsche (die laatste was niet bij alle anarchisten taboe, de eerste voor de meeste wel). Ik kan dit streven slechts van harte toejuichen en ik heb ook zelden met zoveel plezier een als inleidend bedoeld essay over het anarchisme gelezen. Zonder de basis van (de vroege) Marx, die zelf ook
weer op een bodem staat die hij op zijn kop wilde zetten, zweeft het anti-kapitalisme tenslotte zelf in het ijle - maar Marx' fetisjering van proletariaat en partij kunnen we blijvend missen. De revolutie is tenslotte iets waar je op moet kunnen dansen, citeert Sheehan met kennelijke vreugde Emma Goldman.

De 'grote namen' komen wel langs, maar zoals gezegd, niet in een historische opsomming. Daarvoor hebben we Woodcock en Marshall tenslotte al. Sheehan laat het anarchisme beginnen bij Gerrard Winstanley in 1649, en daar valt veel voor te zeggen - ik hoop hier op terug te komen. Verder voert hij als anarchistische schrijvers vooral Oscar Wilde en Ursula LeGuin op en - gewaagd, maar acceptabel - Gandhi. De anarchistische trekken van de laatste zijn zo duidelijk overspoeld door de staat die het gevolg is geweest van zijn streven. Men zou denken dat hij nu buiten eigen land meer gewaardeerd wordt dan in India. Daarnaast noemt en citeert hij een aantal films die volgens hem een anarchistische strekking hebben. En hij brengt de in de jaren zeventig in Groot-Brittannië actieve Angry Brigade in herinnering, die tegenover de nog zo vaak genoemde Rote Armee Fraktion opvalt doordat zij geen doden of gewonden op haar geweten heeft.

Toch, een paar smetjes. De etymologische verklaring van het woord 'anarchisme' rammelt een beetje, blijkbaar bij gebrek aan kennis van klassiek Grieks. Vervelender vind ik zijn sneerende opmerkingen over het postmodernisme. De kennis hiervan lijkt hij te ontlenen aan kunstrecensies, waarin op een gegeven moment bijna alles wel postmodern of anarchistisch werd genoemd. Marcuse
(Herbert zal hij wel bedoelen) noemt hij dan ook nog als postmodern ideoloog. Dit raakt kant noch wal. En in ieder geval, naast de erkende kanonnen van de anarchistische canon wil ik niet alleen Marx en Nietzsche verwelkomen, met Sheehan, maar zeker ook de Frankfurters, Lyotard en Baudrillard. Maar dit is de enige gram die ik over zijn boek kan spuien. Het is nogal Brits/lers georiënteerd, maar een vertaling is misschien toch gewenst - liefst tegen een lagere prijs.

- Seán M. Sheehan, Anarchism; Serie: Focus on contemporary issues. Londen: Reaktion Books, 2003; 175 pag.

(2003)

Onderduikers in Nederland tot 1957 aan toe



Nederland heeft het moeilijker met zijn koloniale verleden dan de meeste andere Europese landen. Misschien komt het door de zelftoegekende status van bijna-heiligheid, die een collectieve vergeetachtigheid met zich mee dient te brengen. Alsof er geen derde is tussen Trots op wat Daar verricht werd enerzijds en het aankweken van onwetendheid, die in de gekoloniseerde landen niet op die manier gecultiveerd wordt, anderzijds. Zuid-Afrika, dat valt niet te ontkennen helaas, door dat rare taaltjie, maar Wij zijn niet verantwoordelijk geweest hoor! - maar Ghana, Sri Lanka, Brazilië, Angola, wat hebben Wij daar nu mee? Waarschijnlijk hoort Nieuw-Guinea ook al in dit rijtje, hoe kort geleden ook nog maar: te weinig immigranten van "daar", te weinig Nederlandse kolonialen. Suriname en Indonesië kunnen niet zo eenvoudig onder het tapijt van vergetelheid geveegd worden, omdat er zoveel mensen uit die landen in Nederland terecht zijn gekomen. Deze ex-koloniën kunnen mooi voorzien in een in de huidige markteconomie veel gevraagd artikel: een Identiteit. Nasi, roti, winti en cebokken, allemaal leuke identiteitsimport die je bijna zou doen vergeten dat "zij" de gekoloniseerden waren.

Af en toe wordt Nederland opgeschrikt doordat er het een en ander opgerakeld wordt over de manier waarop "we" afstand hebben gedaan van Ind(ones)ië: zo'n vervelende Princen die ook weer de tienduizenden slapende honden van veteranen van de Politionele Acties wakker maakt. Dan wordt er iets gemompeld over excessen, of, als je heel links bent, zeg je dat excessen de norm waren (zoiets kan alleen gezegd worden zolang glashard ontkend blijft dat het om een oorlog ging) - en nu graag weer over tot de orde van de dag.

Henny Zwart laat in Er waren er die NIET gingen mannen (en soms hun vrouwen) aan het woord die weigerden mee te doen aan de koloniale oorlog, degenen die al in Nederland deserteerden zo men wil. Er waren nogal veel dienstplichtigen die geen zin hadden om, een jaar na de bevrijding, plantages te heroveren en desa's te pacificeren - zo'n twintig procent per lichting, als
ik de cijfers goed begrijp. Er zullen dan nog velen zo labiel zijn geweest zich alsnog te laten overhalen (was dat geen afkeuringsgrond?), toch hebben duizenden het verdomd, en dus kende Nederland tot zeker 1957 nog onderduikers - iets wat bij de herdenkingsindustrie buiten beeld blijft. Er is geen speciale aanleiding voor de verschijning van het boek, al is het nooit weg
dat de Vijftigste Mei en de kwestie-Princen aan de orde zijn.

De weigeraars vertellen hun geschiedenis, een kleine vijftig jaar later, en de indruk die zij met hun verhaal achterlaten is dat ze goeie kerels zijn met het hart op de juiste plaats (het is al erg genoeg dat ik hier zekerheidshalve bij moet zeggen dat dit niet ironisch bedoeld is - dan durf ik al helemaal niet meer toe te voegen dat degenen die wel gingen niet per definitie slechteriken waren). Onopgesmukte verhalen, die vaak zeer navrant zijn: zoon zit in dezelfde gang van de gevangenis waar vader tijdens de bezetting zat opgesloten, en vader is niet teruggekomen; de joodse weigeraar die in Veenhuizen geconfronteerd wordt met een kampbewaker die daar ook al voor de Duitsers heeft gewerkt ("Jouw naam ken ik nog"), en zo meer. Slechts enkelen zijn niet zijdelings of direct verbonden aan de CPN.

Nogal treurig is het verhaal van Henk de Jong en zijn vrouw die naar Frankrijk gevlucht zijn en - even terug in Nederland - te horen krijgen dat de partij besloten heeft dat individuele dienstweigering niet bij de massalijn past (een teken dat de aanhang van de club al afkalfde...). Inderdaad, individuele dienstweigering is een naar anarchisme riekende afwijking, en in plaats van consequent te zijn en te zeggen dat de partij de kolere kan krijgen blijft het echtpaar De Jong in Nederland, waar ze dan wel weer hulp krijgen van leden van de CPN want ook dat dient gezegd: bij de CPN was het geheel minder dan de som van de samenstellende delen, leden wilden nog wel eens mens zijn in plaats van partijlid.

Het is goed dat een aantal weigeraars nu eens aan het woord is gelaten. Een kleine aanmerking: mondelinge geschiedenis op deze manier vastleggen is natuurlijk het beste dat je kunt doen met de verhalen van de weigeraars, die in doorsnee geen eigen memoires zullen achterlaten. Dat het geheugen steken laat vallen en dat je op grond van een mondeling verslag fouten opvoert is misschien onvermijdelijk. Maar JOGB in plaats van JGOB voor de Jongelingen Geheelonthouders Bond, dat had niet gehoeven, evenmin als de mededeling dat de geest van ds. Schermerhorn (inderdaad, de anarchist, al wordt dat er in het boek niet bij gezegd) nog leefde in Nieuwe-Niedorp tijdens de oorlog, ook al leefde de dominee al lang niet meer. Schermerhorn is in 1956 gestorven, de toga aan de wilgen hangen is niet hetzelfde als overlijden...

- Henny Zwart, Er waren er die NIET gingen - vijftien eeuwen straf voor Indonesiëweigeraars.
Uitgegeven door Solidariteit te Amsterdam

(1995)

Lor van Henri Arvon over anarchisme vertaald

De reeks Que sais-je? van de Presses Universitaires de France is een van de beste series boeken die ik ken: encyclopedisch, intellectueel, Frans georiënteerd, uiteraard, maar ook weer niet te zeer - over elk onderwerp dat mij interesseert heb ik wel een deeltje in huis ('Anarcho-capitalisme' hebben ze ook!). Maar het bederf van het voortreffelijke leidt tot het slechtste. Een van de slechtste deeltjes uit de serie is nu vertaald in het Nederlands, Henri Arvons L'anarchisme. Waarom uitgerekend dit werkje, in een tijd die zeker vraagt om een eenvoudige inleiding voor geïnteresseerden? Zo'n werkje hoeft beslist niet door een anarchist geschreven te zijn, maar men mag toch intellectuele integriteit verwachten van iemand die zo'n overzicht samenstelt!

Als je dan geen nieuw boekje laat maken (mij dunkt, alleen al in het colofon van De AS staan namen genoeg van mensen die daarvoor gevraagd hadden kunnen worden), breng dan een bundeling van relevante teksten van Quack uit of, als dat te zware kost is, waarom Eltzbacher dan niet? U begrijpt, ik ben boos over deze uitgave en het lijkt mij dat er reden toe is.

Dat je bij een overzicht van anarchisme niet de hele voorgeschiedenis van voordat het woord 'anarchisme' bestond behandelt, valt te billijken in een dergelijk kort overzicht. Dat je Frans georiënteerd bent, en dus de Franse Revolutie als de grote relevante revolutie beschouwt en niet de Amerikaanse - ik zal er niet over zeuren, al acht ik het niet verstandig. De Angelsaksische wereld valt voor Arvon geheel buiten beeld, behalve Godwin - die is voor hem de eerste - dat mag, maar hij is toch niet de enige Engelstalige anarchist! Verder worden als de theoretici van het anarchisme gepresenteerd: Stirner, Proudhon, Bakoenin en Tolstoj. Daarmee houdt het op, want het anarchisme is iets typisch negentiende-eeuws. Trouwens, bij nader inzien, maar dat zal u al niet meer verbazen, de Spaanse, Italiaanse en Duitse tradities en theoretici blijven verder ook buiten beeld (alleen de Spaanse Burgeroorlog wordt ter sprake gebracht), dan hoeven we over niet-Europese anarchisten natuurlijk helemaal niets te verwachten. Nou ja, plaatsgebrek, moet kunnen, laten we niet kinderachtig zijn. Nee, dat wil ik niet wezen.
Maar hoe deskundig moet ik iemand achten die het vertoog van Marx tegen Stirner goedkeurend vermeldt onder de titel Der heilige Max (het lange derde deel van Die deutsche Ideologie, "Sankt Max" wordt bedoeld), kan ik die nog serieus nemen?

Wat moet ik er mee, dat Tolstoj mystieke natuurverering, gebaseerd op het primitieve boerencommunisme, wordt toegeschreven? Alsof Tolstoj niet zwaar beïnvloed is door Emerson, Thoreau en Schopenhauer - de bekende feitelijk-racistische riedel van het achterlijke Rusland, kortom, maar Rusland is voor Arvon weer niet te achterlijk dan dat hij Lenin met instemming citeert: "Anarchisten zijn reactionair". Weet Uitgeverij Voltaire niet wie er op de vuilnisbelt van de geschiedenis is beland de afgelopen jaren? Ik kan wel doorgaan: over de tegenstelling tussen anarchisme en socialisme die Arvon steeds weer constateert, want anarchisme is louter individualistisch; het breed uitmeten van de aanslagen op het einde van de negentiende eeuw; het toeschrijven van de Catechismus van de revolutionair aan Bakoenin, het houdt maar niet op - als het fout gaat bij Que sais-je?, dan gaat het ook goed fout. Arvon heeft ook het deeltje over 'Het boeddhisme' geschreven, ook al vertaald in het Nederlands in de zelfde reeks, ik waarschuw maar even. Wat een jammerlijk gemiste kans.

Bert Altena kan in het toegevoegde gedeelte van dertig pagina's, Anarchisme in Nederland en België (1885-2000) zijn duidelijke afkeer van het voorafgaande niet verhelen - tja, men had hèm toch beter meteen een algemeen kort boekje over anarchisme van ruim honderd pagina's kunnen laten schrijven? Nu kwijt hij zich dapper van zijn nogal ondankbare taak, allerlei namen van buiten de Lage Landen komen alsnog in zijn gedeelte aan bod, want twintigste-eeuws anarchisme bestaat voor Arvon niet, maar voor Altena natuurlijk wel. Eigenlijk vind ik het wel mooi dat allerlei mij dierbare Nederlandse namen ontbreken in dit overzicht: het is altijd prijs als je zoekt naar wie er niet genoemd wordt in zo'n overzicht van dertig pagina's voor twee landen. Dat die namen niet voorkomen - Bert Altena kènt ze natuurlijk wel - illustreert hoe rijk de traditie is in Nederland, zoals hij al schrijft (volgens hem in België minder, allez - we geven hem gelijk). Er wordt genoeg mensen in zijn overzicht wel recht gedaan en er staat geen onzin in, wat een treurige aanbeveling is, maar gezien het voorafgaande hoofdgedeelte helaas noodzakelijk. Maar of bijna dertig gulden voor dertig goede pagina's niet wat veel is, dat kunt u zich zelf wel afvragen.

- Henri Arvon, Het anarchisme / Bert Altena, Anarchisme in Nederland en België (1885-2000); 's-Hertogenbosch: Voltaire (Facta-reeks); 144 pag.

(2000)

Mystiek en verzet

Dorothee Sölle is een filosofe en theologe die ik als een gutmenschliche geitenbreister rechts zou willen laten liggen - maar haar Mystiek en verzet werd mij aanbevolen in verband met onder anderen Dorothy Day. Die heeft er een hoofdstukje in. Er komen meer mensen die zij mystici noemt in aan bod die erkend anarchist zijn: Thoreau, Tolstoj, Martin Buber, Lao Zi, Simone Weil, mensen die er niet ver van af staan als Thomas Merton en Thich Nhat Hanh, verdere sympathieke denkers/doeners als C.S. Lewis, Martin Luther King jr en Gandhi. En oudere mystici als Eckehart en Angelus Silesius, die in de voorbije eeuw door anarchisten 'ontdekt' zijn. En daartussen enkele verrassende namen als Dag Hammarskjöld, ooit 'de baas van de wereld' en op missie in Kongo wellicht vermoord (zullen we dit ooit zeker te weten komen?). Mystici die als zodanig de wereld beter wilden maken, vindt Sölle, en ze hanteert een ruimhartige en ruime definitie van mystiek: wij zijn allen mystici. Daar valt wat voor te zeggen; laat u er maar niet door afschrikken.

Met alle tegenzin die ik oorspronkelijk voor de schrijfster voelde, moet ik toegeven dat ik het een leerzaam boek vind doordat het een kennismaking is met allerlei mensen die mij anders wellicht ontgaan zouden zijn. Haar begrip van mystiek is vatbaar voor discussie, maar het zou inderdaad flauw zijn het iets esoterisch te laten houden. Blijft (en dat komt zeker niet alleen door de
vertaling) die hinderlijke gutmenschliche taal, dat NCRV- of arbodienstgeurtje. Een plaats heet in deze vertaling nooit een plaats, altijd een plek, en dat 'helen' dat niets met fietsendieven te maken heeft - de bijbehorende voorzetsels 'richting' en 'naar ... toe' ontbreken gelukkig wel. Goed, een eigen geloofsverklaring als mysticus dan maar, ten gunste van Sölle en vast toch niet gutmenschlich.

Zij is van 1975 tot 1987 hoogleraar geweest aan Union Theological Seminary te New York. Dit instituut heeft in de donkerste jaren van de recente geschiedenis de Frankfurter Schule gehuisvest en dit was wel een bedevaart waard. Zittend onder de magnolia op de binnenplaats kon ik daar in de juiste omgeving heel wat tot dan ontbrekende werken koesterend bekijken. Ik hield van Union, van New York, dan houd ik nu ook maar van Sölle. Zou dit mystiek genoeg zijn? Erich Fromm, die niet naar Union is meeverhuisd, want al goeddeels weg bij de Schule, behandelt ze zowaar. Kierkegaard niet, dus ook Adorno niet, laat staan Herbert Marcuse.
Toch maar lezen, als het u wat lijkt...

- Dorothee Sölle, Mystiek en verzet: 'Gij stil geschreeuw': Ten Have, Baarn 2000 (derde druk).

(2000)

NASCHRIFT

Zo schreef ik dus in eerste instantie over een boek dat mijn kijk op de wereld sindsdien nogal bepaald heeft. Gutmenschlich, ik zeg het nog maar even, verwees toen nog naar de wollige welmenende toon die zeker ook kerkelijke mensen aansloegen (en misschien nog wel - ik denk aan de huidige paus), maar het woord is gekaapt.
Ik ben ook anders gaan denken over bevrijdingstheologie sinds 2000.

Het boek viel voor mijn voeten terwijl de skinheadvandalen van de zogenaamde woonstichting De Key mijn bibliotheek op de brandstapel gooiden, naast Marcuse's Eendimensionale mens. Ik heb het er niet uitgeraapt, het ligt nog in een loods.

Année Rinzes de Jong

Wat zou ik graag enthousiast schrijven over de boeken van Herman Noordegraaf, die mijn interesse deelt voor religieus geïnspireerde anarchisten of socialisten in het Nederland van de afgelopen eeuw. Ik zou met bewondering en knarsetandend van jaloezie over voor mijn voeten weggemaaid gras zijn lof willen zingen - maar het valt altijd een beetje tegen, zoals het biootje (meer kan ik het niet noemen) van Henri van den Bergh van Eysinga en zijn halve biografie van Bart de Ligt (beide inmiddels verramsjt, ook dat nog...). Komt het doordat ik steeds een ondertoon bespeur van verbazing over die dekselse dwarsdenkerij - alsof Noordegraaf toch eigenlijk vindt dat een christen de bestaande orde hoort te koesteren? Komt het doordat hij degenen die hij beschrijft onvoldoende in verband en wisselwerking met niet-religieuze anarchisten en socialisten schetst? (Is 'historicus' dan echt een vak?) Met deze gevoelens, zeer geïnteresseerd maar voorbereid op een teleurstelling, nam ik Noordegraafs nieuwe biografie van Année Rinzes de Jong ter hand. En u begrijpt al dat het medegevallen is, anders had ik deze inleiding niet geschreven.

Alleen is het boek hondsberoerd geredigeerd: theologische uitgeverij Narratio heeft haar best gedaan rommelig 'anarchistisch' drukwerk af te leveren. Tot de onciteerbare titel van het boek aan toe. Maar A.R. de Jong is recht gedaan met deze biografie, zeker in intellectueel opzicht, en ook zijn levensloop komt goed in beeld. De Jong was al vroeg (vanaf 1910) betrokken bij de Bond van Christen-Socialisten, die in tegenstelling tot de Blijde Wereld-dominees niet koos voor de sociaaldemocratie en evenmin voor de 'marxtische' afsplitsing die later communistisch ging heten. De stroming die ook na de Eerste Wereldoorlog hier geen keuze in zag vond haar bedding in de Bond van Religieuse Anarcho-Communisten (1920), die in 1932 herdoopt werd in Bond van Anarcho-Socialisten (BAS). De Jong was voorganger en ondanks (of dankzij) de verschillende breuken in zijn bestaan, is hij dat tot het einde gebleven. Als in de BAS religie niet meer vooropgesteld wordt en zelfs bespot wordt, richt hij zijn eigen Onafhankelijke Religieuse Gemeenschap op (1935). Als de werking hiervan beperkt wordt tot zijn woonplaats
Haarlem wordt het de Open Religieuse Gemeenschap (1953? - Noordegraaf is hier niet duidelijk over), een vrij trefpunt voor meningen die in en buiten de kerken niet of nauwelijks te horen vielen.

De strijd voor bevrijding van geweld (tegen het militarisme, maar dat niet alleen) heeft steeds voorop gestaan voor De Jong, hierin ligt de kern van zijn anarchisme. Tot vlak voor zijn dood op 86-jarige leeftijd in 1970 bleef hij hiertegen spreken. De Open Religieuse Gemeenschap bleek na zijn dood toch geheel op hem gedreven te hebben - Année Rinzes de Jong is een van de grote eenlingen uit de geschiedenis van het Nederlandse anarchisme dat maar nooit een 'beweging' heeft willen worden. Aan de inzet van die grote eenlingen heeft het niet gelegen, dat blijkt afdoende uit de levensbeschrijving.

- Herman Noordegraaf, Revolutionair predikant en religieus bezieler: A.R. de Jong (1883-1970). Gorinchem: Narratio.

(1998)

Steve Earle



Een luie, en ik kan ook gerust zeggen, slechte collega-deejay uit de zogenaamde alternatieve radiowereld hoorde ik ooit op de radio klagen over de ultrarechtse redneckpraatjes van Steve Earle in Paradiso, toen-en-toen. Nu mis ik zelf weinig concerten van Earle, en ik twijfelde ernstig aan de juistheid van deze klacht. Al was het maar, omdat hij betrokken was geweest bij de dienstweigeringsbeweging ten aanzien van de Vietnamoorlog. Het bleek dan ook puur op het vooroordeel gebaseerd te zijn: countryzanger, dus rechts - daar hoef je niet eens naar te luisteren.

Het mag wellicht je genre niet zijn, maar kom niet aan met je eendimensionale beeld van deze vorm van popular culture en al helemaal niet als het om Steve Earle gaat. Hopelijk kan ik hier nog eens uitgebreid op ingaan (ik wacht nog steeds op Martin Smits verhaal over Phil Ochs dit niet geheel terzijde).
Steve Earle riep in ieder geval live in Christmas time in Washington, het ging nog over het Clinton-bewind - dat zoals Michael Moore schrijft het meest geslaagde Republikeinse bewind uit de Amerikaanse geschiedenis was -, de geest aan van Joe Hill en Emma
Goldman tegen dit vakbondsvijandige regime en tijdens een concert is dat extra indringend: daar staat zowaar een medestander!
Bij zijn nieuwe album Jerusalem noemt Earle als voorbeeldige Amerikanen onder anderen Abbie Hoffman, Bobby Seale, Malcolm X, Martin Luther King en... weer Emma Goldman. Een opmerkelijke reeks voor iemand die de bekende verwijten over zich heen krijgt onpatriottisch te zijn omdat hij zich in John Walker's blues inleeft in de motieven van de witte, middle class Amerikaanse Talibaanstrijder.

Maar goed, deze powercountry hoeft niet naar uw smaak te zijn - misschien is de debuut-verhalenbundel van Earle wel iets, in de wetenschap dat het 'polletiek okee' is: Doghouse roses. Echo's van Jack London, Traven, Steinbeck (en de beat generation, en toch van de 21ste eeuw. Met gezellige (eenen)twintigste-eeuwse gebeurtenissen als een lynching, een uitvoering van een doodvonnis, op de loer zijn voor dope, het lot van 'illegale' immigranten uit Mexico in de VS, zangers die het volgende week helemaal gaan maken maar nu nog even een borrel moeten hebben. Het is moeilijk verhalen stuk voor stuk te bespreken, een algemene karakteristiek moet volstaan. Als je de muziek er niet bij kent of wilt kennen zul je Fearless heart niet op de achtergrond horen in je hoofd bij A well-tempered heart.

Geen voorspelbare politiek-correcte verhalen, mocht u dat vrezen, de vergelijking met de genoemde schrijvers uit de Nieuwe Wereld moet voldoende zijn. De road song in proza - waarmee we bij het uitgangspunt van de beoordeling van popular culture terug zijn. De vrijheidsdrang, kenmerkend beeld van de Verenigde Staten - een beeld met een anarchistische kern die bij Earle duidelijk uitkomt.

- Steve Earle, Doghouse roses; Londen: Vintage,2002. 207 p.

14 april, 2014

De onontkoombare psychologie?

De twintigste eeuw kan zonder twijfel gekenmerkt worden als eeuw van de psychologie. Geen vak, lijkt het soms, waarin op zo grote schaal en door bijna iedereen in de ontwikkelde wereld gebeunhaasd wordt. Op de keper beschouwd moet vooral de televisie het er van hebben. En de literatuur natuurlijk. Eigenlijk is het dan ook geen wonder dat de amateurpsychologie wordt losgelaten in de literatuur, of op de politiek. En misschien moet men met name bij een genre als de biografie, dat waar gebeurde levensverhalen moet vertellen, rekenen op psychologiseren. Misschien moet het dan wel goed gebeuren, al weet ik niet wat voor maatstaven je daarvoor kunt aanleggen. Ik ben volledig bereid psychologie aan de vaklieden over te laten. Laat ik het zo zeggen: er worden in het Nederlandse taalgebied al zo weinig biografieën geschreven, dus is het bepaald betreurenswaardig dat Domela is overgelaten aan iemand die met zijn hoofd in de bloemetjesmythe van de jaren zestig verkeerde - voor jaren de kans op een goede biografie bedorven.

Een dergelijk gevoel heb ik ook wel over de twee dikke pillen van Jan Fontijn over Frederik van Eeden. Zeker, als secundaire bron over die socialistische eenling van honderd jaar geleden zijn ze onontkoombaar en valt er ook niet over te klagen. Maar de voortdurende psychologische benadering van zowel het literaire als het politieke werk van Van Eeden benauwt mij en ik kan het niet goed verklaren hoe uitgerekend Kees Fens als (enthousiast!) promotor kon optreden voor de eerste helft van Fontijns Van Eeden-biografie, Tweespalt. Fens is blijkbaar overtuigd door het psychologiseren dat Fontijn op het werk van Van Eeden toepast. In Broeders in bedrog - de biograaf en zijn held licht Fontijn een tipje van de sluier op: hij heeft de held van zijn tweeluik, zelf praktizerend psychiater tenslotte, zo benaderd als vervolg op persoonlijke therapie. Als ik deze verklaring met een lichte grijns accepteer, trap ik zelf in de val van het psychologiseren. Maar waarom hecht ik waarde aan de ontkoppeling van politieke keuzen en psychologie, in de eerste plaats? Daar kunt u natuurlijk ook iets psychologisch achter zoeken. Domela en Van Eeden bevorderden in zekere mate een beweging en remden deze ook weer door hun dominante persoonlijkheid, dus waarom die psychologie buiten beschouwing gelaten? Ik zoek het antwoord nog. In "Broeders in bedrog" vermeldt Fontijn nog dat Couperus gekoketteerd heeft met het anarchisme, waar hij niets van af wist en het was natuurlijk helemaal niet echt - vindt Fontijn. Zo gemakkelijk zou ik het niet willen afdoen, al beken ik meteen Couperus geheel over het hoofd gezien te hebben bij een poging Nederlandse schrijvers op anarchistische neigingen te betrappen. Het zij hierbij een beetje rechtgezet.

Een schrijver die niet ver van het (religieus) anarchisme afgestaan heeft en wiens levensverhaal dat van Van Eeden kruist, is Nico van Suchtelen - inmiddels misschien nog het bekendst als uitgever. In een cultuur zonder geheugen is zo iemand als schrijver al verzonken, en ook als vertaler (Spinoza, Dante, Heine, Goethe: mij dunkt!) niet meer geëerd. Zijn kleindochter Esther Blom schreef een biografie van Van Suchtelen, De vlam van het menselijk denken, waarin wel de schrijversloopbaan en de filosoof in de tijdsvolgorde aan de orde komen, maar naar mijn gevoel niet ten volle recht gedaan worden. Ik had daar meer over willen vernemen en ook over de politieke opvattingen en de ontwikkeling daarvan, maar misschien (helaas) mag je dat niet verwachten van een kleindochter die wel dicht (te dicht?) bij het privé-leven van de schrijver komt. Het stemt wat treurig, een biografie over een alleen nog antiquarisch te vinden auteur. En de Wereldbibliotheek is inmiddels ook een 'gewone' uitgeverij geworden. Wat zal het lot worden van Uitgeverij In de Knipscheer, en daarmee van auteur Albert Helman? Als er nog een echte biografie van deze schrijver-politicus-musicus verschijnt, dan maar liever niet van de hand van Michiel van Kempen (en dus ook beter bij een andere uitgeverij).

Kijk vreesloos in de spiegel is niet bedoeld als biografie, maar het lijkt mij de beste anti-reclame tegen Van Kempen als Helman-deskundige. Het onvermijdelijke psychologiseren (de onbedwingbare behoefte de werkelijkheid van romans te koppelen aan 'echte' gebeurtenissen) en de mate waarin Van Kempen zich zelf niet op de achtergrond weet te houden, evenmin als de aandacht voor het provinciale wereldje van de Surinaamse letteren waarin hij gespecialiseerd is - driewerf jammer. Ook weer niets serieus over Helmans verhouding tot het anarchisme, of Helman als anarchist. Het hoeft niet, maar ook hier wordt het politieke streven weer geheel gepsychologiseerd. Het mooiste van het boekje is het erin afgedrukte gedicht uit 1994 van Helman zelf, waaraan de titel ontleend is.

Psychologiseren is onontkoombaar, en wat mij betreft ten volle geoorloofd, bij een overzicht van de relatie van schrijvers tot zelfmoord. De uiterste verklaring van autonomie, de zelfbeschikking over het eigen leven - het lijkt wel of Jeroen Brouwers er geen genoeg van kan krijgen. In De zwarte zon bundelde hij losse essays over schrijvers die er eigenhandig een einde aan maakten en ik zou de toekomstige lezer(es) willen aanraden het niet in een ruk uit te lezen, gesteld dat men daartoe de neiging heeft. Het boek is - het zal wel geen toeval zijn - tevens een manier om kennis te maken met anarchistische schrijvers 'van elders': de Japanner Osamu Dazai, de Zweed Stig Dagerman, de Zwitserse Nederlander Henri Roorda van Eysinga. Over Mijn zelfmoord van de laatste vermeldt Brouwers dat hij het wel degelijk een humoristisch werkje vindt. Ik zou het liever op ironisch houden - ironie als gestolde droefheid, zoals Jules de Corte het ooit genoemd heeft (ik weet niet of hij het van zichzelf had). Maar misschien klopt het ook wel dat ironie het laatste stadium van humor is, in het geval van Roorda dient men dit ook werkelijk als een tijdsaanduiding te zien. De zelfvernietiging als creatieve daad - een specialisme voor anarchisten? Ik hoop niet dat u van plan bent zich iets van deze zin aan te trekken.

- Jan Fontijn, Broeders in bedrog - de biograaf en zijn held. Amsterdam: Querido.
- Esther Blom, De vlam van het menselijk denken - Nico van Suchtelen (1878-1949). Amsterdam: Wereldbibliotheek.
- Michiel van Kempen, Kijk vreesloos in de spiegel - Albert Helman 1903-1996. Haarlem: In de Knipscheer.
- Jeroen Brouwers, De zwarte zon - essays over zelfmoord en literatuur in de twintigste eeuw. Amsterdam/Antwerpen: Atlas.

(2000)