26 maart, 2017

Zorg voor de grond

Andrew Nelson Lytle zegt:
“Ontsnappen aan het industrialisme
gaat niet door socialisme
of sowjetisme.
Het antwoord ligt
in een terugkeer
naar een maatschappij
waarin landbouw wordt bedreven
door de meeste mensen.
Het is eigenlijk onmogelijk
dat een cultuur
helemaal gezond is
zonder passend respect
voor de grond,
ook al denken
nog zoveel stedelingen
dat hun voedsel
van de kruidenier
of de delicatessenzaak komt
of hun melk uit een blikje.
Deze onwetendheid
verlost hen niet
van uiteindelijk afhangen
van de boerderij."

Peter Maurin

Het paradijs dat toch geen toeristenbestemming werd





In 1967 is een gids verschenen voor toerisme naar La Réunion, een "Frans" eiland in de Indische Oceaan. De omslagfoto hierbij bijgeleverd. De rijke witte Europeaan kon zich verlustigen aan het exotische van de gekoloniseerde wereld, en toerisme naar het werkelijke paradijs, Chagos, werd als mogelijk toekomstbeeld geschetst.
Dit terwijl toen al door het Britse en het VS-regime besloten was dat de bevolking gedeporteerd ging worden voor een VS-basis.
Bron.

24 maart, 2017

Maandstondetaart voor fascist en seksist Thierry Baudet!


- door Joke Kaviaar -

Welkom in de Tweede Kamer, Thierry. Is het huiselijk genoeg voor je? Schemerlampje, oud Hollands vergezicht aan de muur, barokmuziek uit de speakers? Voel je je een beetje geborgen, Thierry?

Ik vraag het maar even. Want Thierry Baudet voelt zich altijd maar ontheemd. In zijn boek Oikofobie noemt hij zijn thuis, zijn land, zijn natiestaat: 'De Oikos'. Een huis, vrij van alles wat maar modern of surrealistisch is, vrij van alles dat vreemd is. En hij is bang. Ja, de grote ideoloog van Het Volk is bang dat de muren van zijn huis zullen vallen door “multiculturisme en open grenzen waardoor elk jaar weer tienduizenden immigranten ons land binnenkomen”. 'Ons land, onze natiestaat' ofwel 'Ons huis'. Ja, Thierry is bang de “sociale samenhang” te verliezen, hij is bang voor nieuwigheid.

In het huis van Thierry moet altijd alles bij het oude blijven: de vrouw achter het fornuis en in zijn bed, de muren behangen met herinneringen uit lang vervlogen tijden. Zwarte Piet. VOC. WIC. Portret van Michiel de Ruyter aan de muur. Zo goed, Thierry? O wee, als aan de overkant een modern kunstwerk wordt neergezet of een migrantenfamilie komt wonen. Dat kan hij niet aan. Het is hem allemaal teveel. Wie wel tegen verandering kan, in Thierryaanse vocabulaire ook wel genoemd “het homeopathisch verdunnen van de Nederlandse cultuur”, leidt volgens hem dan ook aan 'Oikofobie', ofwel 'De angst voor het eigene'.

Het is allemaal oude wijn in nieuwe flessen. Niet te zuipen. Gezeur over “ontworteling” omdat de omgeving verandert, en tegelijk de grenzen dicht voor mensen die daadwerkelijk hun thuis hebben moeten verlaten, niet omdat ze dat wilden maar omdat ze daartoe genoodzaakt werden. Ontworteling, echte ontworteling, daar weten vluchtelingen alles van. En toch starten zij een nieuw leven hier. Maar dat kan niet! Dat is crimineel. Dus weg ermee! Eigen wortels eerst. Ziehier de ideologie van onze pianoman in een notendop.

Met zulk een volksnationalistisch en bekrompen wereldbeeld is deze engerd dus in de Tweede Kamer gekomen. Je zou kunnen denken dat het tenminste nog concurrentie is voor Wilders en dat die twee stemmen voor Thierry en zijn partner in crime Marokkanenhater Theo Hiddema in elk geval niet naar de PVV zijn gegaan, maar als bondgenoten zullen de grofgebekte populist Wilders en de flamboyant ogende Baudet beslist gevaarlijk zijn. Feitelijk vormen ze samen een extreem-rechts machtsblok van 22 zetels dat meer dan voorheen de gevestigde politiek zal beinvloeden en nog verder naar rechts zal trekken. Het rechts van het “Europa van de vaderlanden”.

De plannen van Baudet in de Tweede Kamer beloven meer dan alleen een voortzetting van alles dat door voorbije kabinetten met CDA, VVD en PvdA is gedaan onder invloed van Wilders. “Immigratie” en “gezinshereniging” worden in een adem genoemd met “toegenomen criminaliteit”. En dan komt dat 'thuis' weer, dat 'Oikos', een “wederopleving van onze identiteit en ons culturele zelfvertrouwen”. In 2015 zei hij op Amsterdam FM ook al dat Europa “dominant blank” moest blijven. Fascisme van de bovenste plank. Suggesties als om “een vloot te sturen om vluchtelingen tegen te houden” deed hij er ook en zijn intussen Europese politiek. Zo gevaarlijk is de invloed van dit soort lieden dus.
In aanloop naar de verkiezingen noemde Rutte de ideeën van (Baudet en) Wilders "verkeerd populisme". Zo wilde hij hun kiezers naar zich toe trekken. Maar er is maar een soort populisme: het verkeerde, en dat is hetzelfde populisme als het ook al Trumpiaans ontkennen van de gevolgen van klimaatverandering dat Baudet doet: “Via de milieu-agenda gaat links opnieuw proberen om een wereldstaat op te tuigen en onze vrijheden verder in te perken. Er zal een nieuwe aanval op de natiestaat worden ingezet vanuit dat groene geloof.”

Maar Baudet is niet alleen een racist en een volksnationalist en overtuigd fascist die in 2014 Front National, Vlaams Belang, de FPÖ en de PVV "de avant-garde" noemde en in datzelfde jaar ook sprak bij de extreem-rechtse IJzerwake (dat, en meer vind je in dit artikel) – in newspeak: 'nieuw realist' of 'alt right' -, hij is ook, zoals dat een goed extreem-rechts stuk tuig betaamd, een seksist en vrouwenhater pur sang. Wat dat betreft doet Baudet mij, meer dan Wilders, sterk denken aan Trump. Beiden beschouwen vrouwen als lustobject die veroverd en gegrepen moeten en mogen worden omdat ze dat stiekem toch wel lekker vinden. Wij vrouwen, wij worden geacht ten dienste van de man als heerser te staan, want “de realiteit is dat vrouwen overrompeld, overheerst, ja: overmand willen worden”. Wilders wil het liefste onder de valse vlag van vrouwenemancipatie moslima's de hoofddoek afrukken, Thierry Brute-Mannelijke-Natuur Baudet pretendeert wat dat betreft niets: hij wil gelijk ons allen de kleren van het hele lijf rukken. Benen wijd en eigen piemels eerst! Hoe je dat voor elkaar krijgt, kun je leren van de door Baudet zo bewonderde Julian Blanc, de 'nee-betekent-eigenlijk-ja-versiergoeroe', zo schrijft hij in het artikel “Julian Blanc heeft volkomen gelijk”. En dat alles moet net zoals het gemeengoed geworden racisme gezegd kunnen worden.
En ja hoor! Beide vuilspuitende witte patriarchen wonnen er nog stemmen mee ook. Met Trump als lichtend voorbeeld is Baudet nu weliswaar nog maar een beginneling met twee zetels, maar pas op! Dat opgeblazen pikkie heeft de potentie om groot te worden. En net als de aanhang van Wilders is ook de aanhang van Baudet bereid om namens hem daad bij woord te voegen en tegenstanders, bij voorkeur kritische vrouwen als Anne Fleur Dekker of Asha ten Broeke, te bedreigen (zie hier en hier) terwijl in de Tweede Kamer beleefd handen worden geschud en felicitaties uitgewisseld. Allemaal collega's, nietwaar? Even goede (witte mannen) vrienden.

Van wie moeten we het hebben in de strijd tegen Baudet? Van onszelf! Van krachtvrouwen die hun mond durven opendoen. Tegen racisme, nationalisme, fascisme, seksisme, milieuvernieting. Tegen de ideologie van de met zijn piemel piano en mensen bespelende Thierry Baudet en zijn 'Forum voor Democratie'. Democratisch gekozen, net als Wilders, net als Trump, net als Hitler. Deze griezel gaat met Wilders de komende jaren het spelletje “wie heeft de grootste pik” in de Tweede Kamer spelen. Wilders loopt met een leger beveiligers om zich heen. Nieuwkomer Baudet denkt dat hij het recht heeft om zijn vuil te spuiten zonder dat hem een strobreed in de weg wordt gelegd. Pikken we dat?

Natuurlijk niet. Het is daarom aan ons, aan vrouwen, medestrijdsters, en een ieder ander die het aandurft om in de aanval te gaan tegen deze verkrachtingsideoloog die denkt dat wij uit zijn op zijn sterke sperma. Dames, meiden, we laten het hem ruiken! Reserveer het bloed van je maandstonde speciaal voor Thierry. Als hij zonodig als een barbaar uit het stenen tijdperk vrouwen meent te mogen bezitten op de sofa van zijn 'Oikos', dan kan hij ons bloed er gratis bijkrijgen (iets anders kan natuurlijk ook). Verzamel het in een emmer. Bak er een taart van. Werp het hem toe. Zo verwelkom je een extreem-rechtse seksist als hij zich ergens vertoont. Zo. En niet anders.

23 maart, 2017

Droogte in de Hoorn van Afrika

Ongekende droogte in Somalië en de Hoorn van Afrika in het algemeen. Hier een verhaal over de zich onafhankelijk verklaard hebbende voormalige Britse kolonie Somaliland.
De uitgesproken zorgen lijken overigens niet het lot van herders in het land te betreffen, maar de vatbaarheid voor "islamistische extremisme" die uit de rampzalige droogte kan voortkomen. Zo kennen we de joods-christelijk-humanistische beschaving weer.

Een vergelijkbaar verhaal over Kenia, waar dit laatste argument om te "helpen" ontbreekt.

22 maart, 2017

De Vrije Blije Wereld

Het is mij ontgaan tot voor zeer kort: de De Vrije Communist heet nu De Vrije Blije Wereld - de naam is een verwijzing naar de Blijde Wereld, sociaal-democraat geworden dominees in het begin van de vorige eeuw. Enkele christen-anarchisten (S.C. Kylstra, Anne de Koe. S.K. Bakker [afbeelding]) zijn er naar overgestapt destijds.

“Er was immers niemand onder hen die gebrek leed, want allen die grond of huizen bezaten verkochten hun bezit, gingen met de opbrengst naar de apostelen, en legden die aan hun voeten. Daarvan werd uitgedeeld aan een ieder, al naar gelang hij nodig had" (Handelingen 4: 34-35)

De beginselverklaring.
Online te lezen op Facebook.

21 maart, 2017

Tijd voor de landbouwuniversiteiten van Peter Maurin

Peter Maurin minder serieus nemen als oprichter van de Catholic Worker komt bijna neer op geschiedvervalsing. Maar zijn idee van "agronomische universiteiten" leek steeds iets voor een niet nader te benoemen toekomst - het gold nu de soeplijnen gaande te houden en vervolgden te huisvesten. Brian Terrell, die een deel van zijn tijd doorbrengt op het Strangers & Guests-huis in Maloy, Iowa, stelt dat het nu tijd is om het idee van Maurin in praktijk te brengen op het land. Onvertaald, voor de meesten hier, hoop ik, geen bezwaar.

When I met Dorothy Day after arriving in New York City in 1975, I was 19 years old and she was 78 and the only thing that impressed her about me was that I had read Bread and Wine, a novel by Ignazio Silone published in 1936, that she cherished and often cited. The book’s protagonist is a leader in the Italian Communist party who secretly returns from exile to the village where he was born with the intention of organizing the rural masses to revolt against Fascism. He barely makes it home before falling ill and his fevered musings grasp part of the dilemma of the modern person:

“If only I could wake up tomorrow morning at dawn, put a stick to my donkey, and go the vineyard, Don Paolo said to himself. If I could go to sleep, and wake up, not only with healthy lungs, but with a normal brain, free of all intellectual abstractions. If I could only go back to a real, ordinary life. If I could dig, plow, sow, reap, earn my living, talk to the other men on Sundays, read and study; fulfill the law that says, ‘In the sweat of thy face thou shalt earn thy bread.’ On further reflection Don Paolo decided that the root of his trouble lay in his infraction of that law- in the irregular life he had been living, in cafes, libraries, and hotels, in having rudely broken the chain that for centuries had bound his ancestors to the soil. He was an outlaw, not because he contravened the arbitrary laws of the party in power, but because of his infringement of that more ancient law, ‘In the sweat of thy face thou shalt earn thy bread.’ He had ceased to be a peasant, and he had not become a townsman. It would never be possible for him to return to the soil. Still less would it be possible for him ever to forget it.”

Today it seems obvious that a return to the land, to a proper relationship with creation and to meaningful, productive work is integral to the aims of the Catholic Worker movement. For much of its history, however, since its beginning in 1933, this aspect of its founder’s original intentions was relegated to the margins of an already marginal movement.

For the next eleven years after meeting Dorothy, I lived in Catholic Worker Houses of Hospitality in New York and then Davenport, Iowa, sharing meals and giving shelter to those in need. Peter Maurin’s visions of “agronomic universities” and return to a village based craft economy were not taken too seriously in those days and most of us, I think, would have been just as happy to dump these as slightly embarrassing and quaint anachronisms.

Peter’s “Easy Essays” about Irish monks establishing salons de culture across medieval Europe did not seem relevant to our demanding work of offering hospitality, nor did his suggestion that in following these monks’ example was the answer to global hunger and the threat of nuclear annihilation. We took Dorothy Day at her word that Peter Maurin was her mentor and co-founder of the movement but there was at the time little evidence of his influence in our life and work.

Mel Piehl in his fine historical review of the Catholic Worker movement, Breaking Bread,1982, even quotes some Catholic Workers of an earlier era who suggested that Peter’s “intellectual genius was clearly exaggerated” and that Peter was uncomfortable in his “feigned role of leadership.” Piehl estimates that Dorothy Day had exaggerated Peter’s role as “co-founder” and that she “promoted the fiction that the Catholic Worker was simply an attempt to realize Peter Maurin’s ‘Idea.’” It was, Piehl said, “strategically useful to her as a woman leading a social movement in the sexually conservative Catholic Church, to be able to point to a male co-founder of the movement.”

For generations of young Americans attracted to Catholic Worker communities, the European peasant Peter Maurin might have appeared as obscure and incomprehensible as the very American radical Dorothy Day was accessible. Daniel Berrigan, in his introduction to Dorothy’s memoir, The Long Loneliness, published in 1981, a year after her death, reflected a common if less than generous perception of Peter and his vision: “They started a newspaper and the rest is history. They started houses of hospitality; that too is history. Peter was forever talking about something he called ‘agronomic universities.’ They started one, on the land; and that is something less than history.”

Dorothy’s announcement in The Catholic Worker in January 1936, “we are going to move out on a farm… and start there a true farming commune,” however, was clearly proclaimed with the expectation that history was being made: “We believe that our words will have more weight, our writings will have more conviction, if we ourselves are engaged in making a better life on the land.” While she assured her readers that “we are not going to abandon the city,” it is clear that Dorothy’s historic expectation was that the Catholic Worker was going to realize its original vision, that of a rural based “back to the land” movement keeping some presence in the city, “sending out apostles of labor from the farm, to scenes of industrial conflict, to factories and to lodging houses, to live and work with the poor.”

If this and other early experimental farming communes came and went as “something less than history,” as Dan offers, or as the abject failures that others have named them, the concept did continue to limp along somehow for the next decades. Rather than the cutting edge of a revolution as Peter envisioned the agronomic university, however, most Catholic Worker farms were planned and grew, if they did, as dependent branches of urban Catholic Worker houses of hospitality. Most of these few farms were seen even by those who lived and worked at them in an urban context, as auxiliaries, existing to provide cheap food for soup lines, hospitality for the urban poor and places for retreat and recreation for Catholic Workers from the city. Most were rural responses to urban poverty and homelessness with little regard to the poverty of their neighbors. By and by, the “true farming communes” originally proposed gave way to “retreat centers.”

Some few here and there in the most obscure and remote places have always remembered and stood by Peter’s vision. These were often marginalized and misunderstood by the larger Catholic Worker movement as much as by their neighbors and the culture at large. When in 1986, Betsy Keenan and I moved with our children from the Catholic Worker hospitality house in Davenport, Iowa, to Maloy, a town of less than 30 souls just north of Iowa’s border with Missouri, many friends assumed that we had left the Catholic Worker movement. Some challenged us, what need is there for a soup line in so small a town? No soup line? What kind of Catholic Worker house are you? Whose farm are we, we were challenged, meaning what city house owns and controls our farm, assuming that the legitimate existence of any rural entity is bound to its tie to an urban one. About that time our good friend Chuck Trapkus included in his iconic “Catholic Worker Primer” a cartoon of a man in overalls holding a chicken and saying, “We’re Catholic Workers, too, don’t you forget it!”

Over the past 30 years there has been a great shift in understanding and respect for Peter’s vision and what it means. At one of the sporadically convened national Catholic Worker gatherings, I think that this was in 1987, a “round table” discussion of Peter’s agronomic university was attended by a few of us farmers and the most pressing question that surfaced from the few mildly curious others who wandered in was “why bother with a garden when we have more donated old vegetables from the market than we can ever sort out?” Since that time, there has been a resurgence in Peter’s dreams of farming communes in the movement. At more recent gatherings, roundtables on rural issues and Peter Maurin are among the liveliest and best attended and this, the fourth biannual national Catholic Worker gathering is the largest ever.

This resurgence is evidenced not only in the unprecedented plethora of Catholic Worker farms around the country and abroad. It is also shown in the level of discussion given Peter and his ideas in the newspapers of the various houses. Peter’s influence is seen in the growth of urban gardens in the yards and vacant lots around our city houses. Catholic Worker cottage industries, such as carving spoons, repairing bicycles, making soap, all are examples of a growing movement.

In Maloy each winter we host a craft retreat, when up to a dozen Catholic Workers from around the Midwest crowd into our farmhouse to join us and some neighbors to weave, make cheese, carve wood, dip candles, knit, make baskets, cook, eat, pray, dance and sing. We have fun but these sessions were not recreational in the conventional sense nor are we really “on retreat.” These gatherings are the Catholic Worker movement going about some of its most serious business. As it happens, the craft retreat often gets scheduled just before or after the annual Witness Against Torture event in Washington, DC, an intense time of fasting and action to demand the closing of the prison at Guantanamo and the abolition of torture that I usually attend. In my mind, these two yearly events have melded into one continuum.

This shift of paradigm has come in part, I think, as people who come to Catholic Worker houses are staying longer. While many still come to Worker houses to donate a “gap year” or two of their lives in service to the poor between college and “real life,” from the 1970s on, more and more came and stayed. It has been suggested that some of these moved out to farms looking for a better place to raise kids than an inner city house of hospitality. There may be something to that, but I offer that for many of us, living and working for years with the urban poor made us look deeper into the roots of the world’s problems and see that serving soup, good work that it is, is not enough. Speaking for myself, I needed to live in urban hospitality houses for many years before I could make any sense of Peter’s talk about revolution on the land.

For many of us, too, solidarity work and travel to places exploited by economic and other kinds of colonialism brought us to see that Peter was right when he pointedly insisted that issues of war and peace always are, at the heart, issues of the land and its use. In New York City or Los Angeles as in Jerusalem or Mexico City or San Salvador, the peace and good order of society requires justice on the land. It strikes us, finally, that even the food that we serve on our soup lines that is donated or gleaned from dumpsters depends on slave labor and is grown in ways that cannot be sustained. When the peace for which we yearn and struggle finally comes and our global neighbors will no longer be forced by debt and oppression to clothe and feed us but will use their own labor, land and water to care for themselves, how then will we live?

The crisis of climate change on our threshold, too, makes Peter’s dream of agrarian revolution look less like a medieval utopian fantasy and more like an urgent and rational plan for a new and sustainable social order of the future.

Some criticize such changes in the movement as if they are evidence that we are losing our way. My perspective is that, with some growing pains, the Catholic Worker is rather finding its way now after so many years. “Our houses of hospitality are scarcely the kind of houses that Peter Maurin has envisioned in his plan for a new social order,” Dorothy Day wrote in her column in September 1942. “He recognizes that himself, and thinks in terms of the future to accomplish true centers of Catholic Action and rural centers such as he speaks of.” Perhaps it is true that Peter Maurin’s role as “co-founder” of the Catholic Worker was exaggerated in the past. If so, it might also be true that he is now posthumously growing into that role as the movement matures into the dynamic revolutionary social force it was meant to be.

While I am gratified to see this revival, I must confess that, along with Silone’s Don Paolo, I am still a townsman and after three decades of rural living I am far more at home in the city, “in cafes, libraries, and hotels,” than I am on the farm and in the small town where I live. In recent years as a co-coordinator of Voices for Creative Nonviolence, I am spending about half my time on the farm, half on the road, often in cities in America and abroad, sometimes in war zones and in jails and prisons. Some friends assume that my time on the farm is a respite from the stresses of activism, but the opposite is true. I love my home but often do not feel at rest there- the farm is the place where I feel most challenged and humbled and the city is where I go to escape.

Betsy has become an accomplished weaver, goatherd and gardener, but the skills and attitudes needed to be a farmer continue to elude and frustrate me. Going to jail comes easier for me than fixing a fence or attending a church pot luck. I can make many varieties of cheeses from the milk of our goats, but find more satisfaction writing a press release or organizing a protest. A shopping trip to the county seat can be more daunting to me than traveling alone to Seoul or Kabul. By education, aptitude and temperament, I am not able to return to the soil but neither can I forget it.

We are gathered here, Catholic Worker farmers and friends, at a time of extraordinary uncertainty and peril. It is unclear if the damage our wars and industrialized lifestyles are inflicting on the planet can be reversed at this late date. Never have so many people been displaced and the danger of nuclear war is more imminent now than ever before in the lifetimes of most of us here. If previous generations of Catholic Worker farms have measured in the end as “somewhat less than history,” our efforts today must be of historic proportions, God help us, if we are to contribute to the continuation of life on earth.

20 maart, 2017

Tegen het carnisme


Een mockumentary van Simon Amstell over de onvoorstelbare tijd waarin met vlees at - Carnage.

19 maart, 2017

Met de moed der hoop

Geen verstandig mens zal ontkennen dat de Gouden Tijd van het kapitalisme achter ons ligt, het precieze punt waarop het ophield valt zoals in het algemeen bij historische processen niet aan te wijzen. Ergens in de jaren zeventig.
Een van de groten van het anarchisme van de vorige eeuw, Jacques Ellul, beschreef het kapitalisme van daarna als het verhaal van een waanzin verteld door een gek, een en al lawaai en razernij, zonder betekenis. Ik vond het prachtig uitgedrukt en wist op dat ogenblik niet dat het gebaseerd was op Shakespeare. Dat verhaal is alleen nog maar waanzinniger geworden, zie de Verenigde Staten sinds januari. En Nederland, nu, na het electorale slagveld van 15 maart.
Gevaarlijke waanzin, dat wel.

De buitenlandse media spitsten hun aandacht geheel toe op ex-VVD'er Wilders en of zijn "partij" de grootste zou worden. Toen dat niet het geval bleek dropen ze schielijk af, het gevaar was geweken, Nederland blijft in de EU, het fascisme dat men zo graag wil blijven aanduiden als populisme is tot staan gebracht. Tja, dat de fractie van Wilders de tweede in grootte is in de Tweede Kamer, en dat zijn aanhang met een derde gegroeid is, werd niet interessant bevonden. En de intocht van de openlijke fascist, zonder apparatsjik-verleden in een gevestigde partij, werd helemaal over het hoofd gezien. En dat de VVD een genootschap is van knuppelgrage corrupte zakkenvullers dat grotendeels het verhaal van oud-lid Wilders heeft overgenomen - het geblaat over grenzen dicht en uit de EU ontbreekt - bleef buiten beeld. Men noemt die club nog steeds liberaal, zonder enige geldige reden. En de derde partij, ooit de dominante, zich noemende christen-democratisch heeft aangesloten bij het xenofobe, quasi-nationalistische gezemel van VVD en Wilders. Met de SGP en 50+ er bij komt het neer op 81 zetels voor het boerenkool-met-varkensworst-patriottisme dat je net zo goed fascistisch en in ieder geval fascistoïde kunt noemen. Voordat men daar achter is in de buitenlandse media zijn we alweer een eind verder. Waar? De VVD-PVV-CDA-50+-coalitie is nog niet ter sprake geweest. De dag is nog jong, na de verkiezingen.

En dan, de sociaal-democratie. We moeten terug naar 1905 om dit aantal zetels aan te treffen, en toen was er geen algemeen kiesrecht. En de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij had iets te bieden, binnen het kapitalisme waar de sociaal-democratie zich bij voorbaat bij neergelegd heeft. Zij beloofde in navolging van de Republikeinse president Herbert Hoover een kip in ieders pan en een auto voor ieders deur. En toen de kip en de auto er waren, nu nog zo'n beetje, beloofde de sociaal-democratie dat het zo niet verder kon. Niet uit ethische en ecologische overwegingen, zoals de enige echte oppositiepartij in Nederland zal doen, maar omdat het allemaal wel wat minder moet want de betalingsbalans en wat er verder ook aan neoliberale kletspraat verkocht kan worden. Scherper en bondiger dan Merijn Oudenampsen het heeft gediagnosticeerd kan ik het niet schrijven, en het hoeft dus ook niet. De PvdA heeft succes behaald in haar eigen afschaffing - als de sociaal-democratie het enigszins beschaven van het kapitalisme opgeeft als taak is zij overbodig. De Moor kan gaan.

Nog een toepasselijke, klassieke zin uit de theatergeschiedenis. Want al met al wordt de Nederlandse politiek gedomineerd door mensen die daadwerkelijk zeggen dat de Moor kan gaan, als hij (zij) zich niet "normaal" gedraagt en aan de boerenkool gaat. Er zijn nu drie zetels ingenomen door een partij die hiertegen getuigt en we weten nu al dat die HET object van schelden en verdachtmakingen zal zijn de komende tijd. En plaatsvervangend al degenen die al dan niet op hen gestemd hebben.
Om bij de opening terug te keren: we leven in een tijd waarin het kapitalisme aan zichzelf ten onder gaat. Het wordt niet beëindigd in zoiets als de Oktoberrevolutie in Rusland, hoe wel - het valt niet te zeggen. Tunesië, Spanje #15M, Occupy, Nuit Debout, de opstand in de Rif (om het in de buurt van Europa te houden), het zijn tekenen van wat kan komen.
Het is en blijft tijd om buitenparlementair te strijden. Met de moed der hoop.

18 maart, 2017

De veiligheidsgordel die niet wilde branden

Chuck Berry overleden, een van de aartsvaderen van rock'n'roll en wat rhythm & blues heette er bij. Een kleine keuze.

Lonely school days. Tienerverdriet treffend uitgedrukt door een dertiger...
Maar eerder was er


School day(s) (Ring ring! goes the bell)


No particular place to go, live uitvoering dus zonder de lange gitaarsolo aan het slot


You can't catch me

Nou, dan herhaal ik toch ook maar mijn favoriet, herinnering aan eenzame schooldagen

Promised land

(Bij de titel - nagekomen: ik heb altijd verstaan dat de "safetybelt just would not burn", denkende dat hij die met een aansteker in de fik wilde steken om het mlos te krijgen. Bespottelijk ook eigenlijk, dan zou hij ook zijn vriendin in brand steken. "Would not budge" is de tekst ,hoor ik 53 jaar later slechts...)

17 maart, 2017

De moeheid van Sophie Scholl

Voorzover het mogelijk is een droom na te vertellen doe ik het nu eens min of meer.
Van Eeden en Ortt hielden er hele dagboeken over op na om psychologische conclusies te kunnen trekken. Het volgende lijkt mij duidelijk genoeg.

Ik sta in de menigte aan de kant te kijken hoe Sophie Scholl naar het schavot geleid wordt.
Ergens halverwege de toch gaat zij ergens zitten. Ik ben moe, laat ze weten.
Hier houdt het eigenlijk op.

Het past bij de dreigende politieke situatie. En bij de komende paastijd.
Waarom ik in de menigte sta zonder dit tafereel te willen zien vertelt het verhaal niet.
Ook niet waarom je zou moeten uitrusten als je er al bijna niet meer bent. Maar dit zijn bedenkingen achteraf.
Ik dank u voor uw eventuele aandacht.