14 april, 2009

De eeuw van het ongeheugen: wakkerliggen


Iemand wees mij privé op de gedetailleerdheid van sommige verhalen betreffende een zelf beleefd verleden die ik hier plaats. De naam "Proust" viel. Ik begreep dat ik mij gevleid moest voelen, al knaagt er ook volop twijfel.

Ik heb die naam twee keer ontmoet in de jaren zeventig. De eerste keer was via vriend W. met wie ik een in importboeken gespecialiseerde boekhandel bezocht. "Een studie over Proust. Die man heeft in zijn leven één boek geschreven en daarover verschijnt ieder jaar op zijn minst één studie." Hij zei het lachend, vol bewondering over de Franse literaire cultuur.
Dat ene boek van Proust moest met een vrachtwagentje zout genomen worden en tegelijkertijd klopte het natuurlijk.

Enkele jaren daarna verschenen - het is mij toch wat - de aan een optekenaar vertelde herinneringen van de laatste huishoudster van M. Proust in Nederlandse vertaling. De vertaalster gooide er een ingezonden stuk tegenaan om zich over een punt van de recensie te beklagen. Dit leek mij een zwakke handeling. Op recensies reageert men niet met een ingezonden brief.
Wat ik toen nog niet wist en later wel, met dank aan Albert Helman, maar ook door eigen ondervinding, was dat de recensent per definitie een idioot is die geen enkele moeite hoeft te doen en je boek zelfs niet gelezen hoeft te hebben en die aanzienlijk meer voor zijn nare stukje krijgt dan jij als schrijver voor een dergelijke hoeveelheid tekst zoniet het hele boek. Zwijgen dus. Desgewenst zinnen op zoete wraak die op een andere manier geuit kan worden.

De reactie hield mij bezig omdat de vertaalster mij ooit had bezig gehouden - en tegelijkertijd kwam de vraag op: hoe kan ik nou teleurgesteld zijn? Wat kon ik van haar weten? De vragen hoefden en hoeven niet beantwoord te worden, zij het dat ik kon constateren dat iemand die je levenspad gekruist heeft en die er ooit op een of andere manier toe heeft gedaan geen andere betekenis hoeft te hebben dan dit ene ontmoetingspunt. Hoe belangrijk ook, hoe bepalend wellicht voor je verdere leven, de lijnen lopen weer uiteen en het omzien kan - om de uitdrukking te lenen - plaatshebben in verwondering.
Ik kon en kan mijn quasi-teleurstelling van toen nuanceren doordat ik mij toen zowel als nu onbevoegd kan verklaren terzake van den heer Proust.

*


Een akelig huilende herdershond in de tuin van de buren, het is volle maan (of eigenlijk niet, maar de schijngestalte wekt de indruk nog vol te zijn, dit optisch bedrog geeft aanleiding tot een hoop verhalen over volle maan die bij nadere beschouwing niet eens vol blijkt te zijn geweest als de verhalen spelen - dus net als dit verhaal misschien) en door het gejank kan ik de slaap niet vatten. Ik lig in het bed van de logeerkamer in het huis van de ouders van V., die mij niet als mogelijke schoonzoon willen erkennen en mij maar een vreemde onpraktische snuiter vinden die rare verhalen schrijft met zinnen die maar doorgaan en die ondanks drie bundels nog nooit op televisie geweest is. V. slaapt een deur verder, ongetwijfeld vast want V. slaapt onder alle omstandigheden vast, zelfs als er een herdershond bij volle maan ligt te janken. Wat nu dus tegelijk wel en niet het geval is. Mijn gedachten gaan terug naar die keer dat ik elders in een oncomfortabel bed bij niet-erkennende schoonouders te logeren heb gelegen. De verloofde was door het niet-erkennen zo geschokt dat het meteen het einde van de verloving was. Die vervelende ouders hadden mij - wetende dat ik een zwakke maag had, dat moest hun verteld zijn, en dat ik vegetariër was, niet vanwege die zwakke maag hoewel dat natuurlijk ook gekund had, maar ik ben heel principieel ten aanzien van dieren uit de bioteelt - varkensfricandeau voorgezet! Daardoor kon ik, afgezien van het ontkennen van mijn status en de losse spiraal in het verder veel te zachte bed, niet slapen van de maagkrampen, en de knallende flatussen die door de slaapkamer knetterden, werden, hoorde ik aan het gepraat, wel degelijk opgemerkt in de ouderlijke slaapkamer pal onder mijn vertrek. De smiechten hadden het er om gedaan.

De volgende dag zei pa aan de ontbijttafel dat de herdershond van de buren gejongd had en dat de buurman de jongen onmiddellijk verzopen had in een emmer water. Zo'n zinken emmer, die je eigenlijk nergens meer ziet, behalve bij speciaalzaken waar ik nooit zou binnenlopen, waar ze dan buitenhangen naast de schoffels, harken en schoppen en ander tuingereedschap. Ik tuinier niet, dus ik heb er niets te zoeken.

Een week later was ook de verkering met V. uit.

*


Bewaar me...
(De knipoog gaat naar Alain de Botton).

Geen opmerkingen: