22 augustus, 2009

De kaping van Gramsci door rechts en de noodzaak van utopie


In de oorlog tegen het terrorisme, die volgens likkebaardende leden van het regime in Washington wel vijftig jaar kan gaan duren, is een tweede overwinning bereikt. De strijd voor deze overwinning duurde nog korter dan de campagne tegen een van de armste landen ter wereld, Afghanistan. Irak was murwgebeukt door twaalf jaar sancties, regelmatige bombardementen door de luchtmacht van de coalitie van bereidwilligen die tussen 1991 en 2003 ononderbroken zijn doorgegaan. Of de oorlog tegen een abstract zelfstandig naamwoord nog op deze manier verdergaat is de vraag. Het sabelkletteren tegen Iran kan nog wel onder deze vlag, maar de boventoon vanuit Washington voert het vertoog van de "massavernietigingswapens". Als de publieke opinie in de Verenigde Staten enige rol speelt bij het verder kweken van oorlogsstemming, dan moet het etiket weer veranderen. Irak is een Arabisch land, en de kapers van de vliegtui gen die de New Yorkse torens invlogen waren Arabieren. De islamitische republiek Iran is geen wahhabitisch of soennitisch land, ook geen Arabisch land, en het is de vraag of het zo gemakkelijk onder de voet te lopen zal zijn. We wachten af.

Waarom zou Iran de volgende op de lijst zijn? Een reden die uiteraard nooit genoemd wordt in de meningenindustrie die kranten, radio en televisie voor de menigte vertegenwoordigt, is dat Iran de petroleumdollar heeft verruild voor de petroleumeuro. Het verrekenen van geëxporteerde olie in een valuta die niet die van het exporterende land is betekent een feitelijk krediet aan het land van de rekenvaluta. Dat waren tot voor kort vanzelfsprekend de Verenigde Staten, die op deze wijze extra ondersteuning kregen voor hun voodoo-economie. De economische basis van de laatste supermacht is wankel, maar men zal weten dat er met deze supermacht niet te spotten valt. Er was één ander olieland dat was overgestapt op de euro de laatste jaren. Dat was Irak. Het zou waarschijnlijk te gemakkelijk zijn dit als de voornaamste of enige reden voor de invasie in Irak te zien. Maar het geheel buiten beschouwing betekent alle malligheid, waarmee het verwoesten van "de bakermat van de beschaving" en het doden van duizenden onschuldigen wordt gerechtvaardigd, accepteren. Dat het hier om proefdraaien voor een ooit komende oorlog tussen Eurazië en Oceanië is gegaan is misschien iets te veel Orwell - tenslotte hebben we Osama bin Laden en Saddam Hoessein al-Tikriti al als Emmanuel Goldsteins (ik vrees dat deze heren de fraaie ironie hiervan zal ontgaan).

We hebben Panama 1990 gezien: een invasie met duizenden doden tot gevolg, om een onwillige CIA-agent uit zijn presidentieel paleis te halen. Dat was een oorlog tegen drugs. In 1991 hadden we de eerste oorlog tegen Irak, in het kader van de Nieuwe Wereldorde. De invasies in Somalië van 1992 en het bombarderen van Servië in 1999 werden als humanitaire interventies verkocht. De veldtocht tegen Afghanistan was eigenlijk de enige die als oorlog tegen het terrorisme werd gerechtvaardigd. In Irak heette het om massavernietigingswapens te gaan, maar verandering van regime was misschien ook goed voor de coalitie. Op dit ogenblik is de euroverklaring van de oorlog tegen Irak en de dreiging tegen Iran eerder geruststellend dan verontrustend. Het gaat niet om een apocalyptisch programma van gestoorde zogenaamde christenen, in coalitie met joodse likudniks - al zijn beide griezelcategorieën goed vertegenwoordigd in het Washingtonse bewind. Het gaat allemaal om de olie en om de centen. Mensen ter linkerzijde die dit een te vereenvoudigde maatschappijkritiek zouden hebben gevonden zochten te ver.

Dat olie een rol speelde in Somalië en Afghanistan is moeilijk over het hoofd te zien. Dat Kosovo een potentieel rijk land is stond ook vast - en in ieder geval moest er nog van alles en nog wat "geprivatiseerd" worden in het restant van Joegoslavië, en dat is gebeurd als gevolg van de bombarde menten. Voorzover de kapitaalvernietiging, "creatieve destructie" zoals de Washingtonse ideologen die hun Schumpeter kennen (zoniet hun Bakoenin) het noemen, deze privatisering niet irrelevant heeft gemaakt. Waterlevering in Basra leek de Amerikaanse bezetters een goede gelegenheid de bevolking market values bij te brengen: ze moesten maar betalen voor het uit te delen drinkwater - dit ging zelfs de Britse bezetters te ver. Al met al is de drinkwatervoorziening in wat ooit het hoogstontwikkelde Arabische land was nog steeds geen prioriteit. Het hoogstontwikkelde Arabische land behalve het eerder verwoeste Libanon, ja, met een dictatoriaal regime dat een programma had dat sterk aan de sociaal-democratie herinnerde (het tweede deel van dit combinatiewoord is in dit verband weer uiterst ironisch). Wat er van Irak zal worden doet er voor Washington en Westminster eigenlijk niet toe, zolang er olie uitkomt die in dollars wordt afgerekend.

In het kader van de strijd tegen ons aller geheugen nog enkele vragen over die andere oorlogen: weet u hoe het gaat in Panama, tegenwoordig, behalve dat er niet meer moeilijk gedaan wordt over het kanaal? Denkt u dat studentes in Afghanistan weer met kohlopmaak en in minirok naar college gaan, zoals in 1973 (die foto die plotseling opdook in de propagandaoorlog voor de val van Kaboel)? Denkt u dat de etnische zuivering van Kosovo door de bombardementen voorkomen is? Het interessantst vanuit anarchistisch oogpunt zouden we de lotgevallen van Somalië kunnen vinden. Net als in de Iraakse steden na de instorting van het Baath-bewind zijn hier de twee betekenissen van het woord anarchie van toepassing: de meest gangbare, oorspronkelijke, die van chaos, vernieling en plundering; en de onze, de positieve betekenis die we aan Proudhon te danken of te wijten hebben: de zelforganisatie in verweer tegen juist die negatieve anarchie - de buurtcomités die in Bagdad van de grond kwamen, de organisatie van een land zonder staat en zeker zonder centraal gezag in Somalië. Vergis u niet, Somalië functioneert - nee, het is geen toonbeeld van anarcho-socialisme zoals "wij" dit voorstaan, maar het toont wel dat een maatschappij zonder staat kan. Vergeleken met de drugs- en mensensmokkellandjes die de interventies in ex-Joegoslavië en Afghanistan hebben achtergelaten (de wereld wordt niet gebalkaniseerd maar gesicilianiseerd) doet Somalië het nog niet eens zo gek - als we het begrip Somalië tenminste kunnen blijven hanteren.

In hoeverre is de oorlog tegen Irak, met de duidelijke breuk tussen de Verenigde Staten en Groot-Brittannië (en niet te vergeten het weerzinwekkende bewind van Australië) ener zijds en de oude bondgenoten uit de Koude Oorlog, nu samen met Rusland en wellicht China anderzijds, een nieuwe ontwikkeling?

Honderd jaar geleden voorzagen socialisten, van welke pluimage ook, een socialistische toekomst voor de mensheid. Via de algemene staking of een klinkende overwinning in de parlementsverkiezingen zou het socialisme verwezenlijkt worden. Anderen schetsten de toekomstmaatschappij die neerkwam op gelijkheid voor allen en gedeelde productiemiddelen en regeling van de consumptie: van ieder naar vermogen, voor ieder naar behoefte. Misschien zou er een revolutie voor nodig zijn. Geen van de toekomstschetsen van die dagen voorzag een verstikkende dictatuur van te verkopen dingen in Europa, Noord-Amerika en een deel van Oost-Azië. De warenmaatschappij had geen toekomst.

Juist de socialisten hebben het geloof in de kracht van ideeën opgegeven in de voorbije eeuw. Mogelijk is dit een gevolg van het bijna onvermijdelijk bij het socialisme behorende materialistische denken: ideeën vormen de wereld niet. En voorzover er nog een idee voorhanden was, correspondeerde dit met managementdenken of ingenieursbezigheden: in absurde vorm weer te geven in de leninistische leuze dat socialisme gelijk is aan sowjetmacht plus elektrificatie; in "het westen" kwam het neer op een goede sociale verzekering en iedereen een autootje voor de deur. De verwezenlijking van het zogeheten biefstuksocialistische ideaal op een plaats in de wereld stond juist de realisering elders in de weg. Gelijkmatige verdeling van dergelijke rijkdom vereiste in ieder geval gemeenschappelijk bezit van productiemiddelen - een ideaal dat de hoofdstroom van de socialistische stroming overboord gezet heeft tijdens de grote crisis van de jaren dertig, zoniet eerder. De daadwerkelijke uitvoering van het socialistische program, van onderop - Spanje 1936, Algerije 1962, Portugal 1974 - liep stuk op bestrijding door de krachten van de realiteit - in alle drie genoemde gevallen zelf erfgenamen van het socialistische ideaal.

Als het socialisme als streven naar een andere, betere wereld wordt gezien wordt impliciet gesteld dat het kapitalisme, de huidige wereld de "normale" is, erger nog: de natuurlijke, en dat deze gebaseerd is op een onontkoombare, niet-maakbare realiteit. Thatcher moet ooit gezegd hebben: er is geen alternatief, wat in het Engels het acroniem TINA opleverde. Het valt mij evenwel op dat dit citaat aan de Britse premier wordt toegeschreven sinds zij uit het centrum van de macht verdwenen is. Als zij dit als premier gezegd heeft - en het is natuurlijk goed denkbaar dat zij dit heeft gedaan -, dan is mij dit indertijd ontgaan. Maar er is wel een alternatief, en dit kan al afgeleid worden uit het feit dat Thatcher en Reagan het volle gewicht van de overheid gebruikt hebben om een onmaakbare samenleving te maken, daadwerkelijk onder het motto: er is geen samenleving. Als je het vaak genoeg zegt, zullen mensen het misschien nog gaan geloven ook. Evenals de onvermijdelijkheid van concurrentie - alweer zoiets "natuurlijks" dat van bovenaf opgelegd dient te worden - en van de ongewenstheid van sociale voorzieningen: bij sommigen twee of drie auto's naast het huis, maar geen sociale voorzieningen, is ongeveer het kapitalistische ideaal geworden. De overheid moest terugtreden uit het economisch leven (de staat als kindermeisje, "nanny state", is nog steeds het gangbare invectief in Engeland tegen de verzorgingsstaat). De staat moest wel te allen tijde klaar staan om degenen die deze zegeningen niet waardeerden in elkaar te slaan: herinnert u zich nog de Britse mijnwerkers­staking van 1984-1985?

De moedwillig gemaakte "ongemaakte" samenleving staat in het algemeen op naam van mensen die men neoliberaal noemt. Een vleugje Ricardo, een vertoog over terugtredende overheid en de lof van de zegeningen van de markt - u kent de teksten die nog steeds geproduceerd worden. De ideologen van rechts hebben geen ogenblik scrupules gehad over het gebrek aan kracht van ideeën. Maria Mies vermeldt argeloos de datum waarop het zogeheten neoliberalisme zijn hegemonistische zegetocht begon: 11 september 1973. (Maria Mies, Globalisierung von unten - der Kampf gegen die Herrschaft der Konzerne. Hamburg: EVA, 2002, p. 63-71, in navolging van Susan George. Het vertoog over de ideologische hegemonie vind ik overtuigend en heb ik hierna overgenomen.)

De dag waarop Chili als het ware door zijn eigen leger bezet werd, het presidentiële paleis gebombardeerd en de gekozen president Allende vermoord. De parlementaire weg naar het socialisme was andermaal een illusie gebleken: als links zich aan de spelregels houdt, schaft rechts de regels eenvoudigweg af. Het was niet direct na de staatsgreep dat de huisideologen van het zogenaamde neoliberalisme hun programma gingen uitvoeren in Chili, maar geleidelijkaan kregen de Chicago boys greep op het economisch beleid en werd Chili de proeftuin van de tucht van de markt, opgelegd door het leger. Thatcher en Reagan volgden, en ideologisch gesproken lijkt er sindsdien wel echt geen alternatief te zijn: privatiseren van productie en dienstverlening door de overheid, "moderniseren" van sociale voorzieningen - wat altijd op vermindering of afschaffing neerkomt - en de tucht van de markt gecombineerd met de onder arboconvenant gehanteerde politieknuppel voor de hardnekkigen. (Een monsterwoord als arbo illustreert een historisch compromis - nog een echo van Gramsci: het laden van raketten in de luchtmacht moet zo ergonomisch verantwoord mogelijk georganiseerd worden.)

Bij het neoliberale vertoog hoort een anti-etatistische retoriek die anarchisten op het eerste gehoor plezierig zal aandoen. Men dient evenwel te vergeten hoe de veelbezongen markt tot stand komt, hoe de gezegende particuliere eigendom beschermd wordt en gehandhaafd en hoe het kapitalisme zich alleen kan ontplooien binnen de context van een soevereine overheid. Er zit een anarchistisch trekje aan Hayek, Von Mises, Rothbard en Rand - ook wel anarcho-kapitalisten genoemd -, en zelfs aan Milton Friedman. Maar men moet inzien dat deze libertairen (libertariërs zegt men ook wel in Nederland) voorbijgaan aan de historische wording van het kapitalisme, en bij Friedman moet men bijvoorbeeld niet denken aan het bombardement op het Monedapaleis en de stadions als concentratiekam pen in Santiago de Chile.

De term hegemonie in verband met het neoliberalisme zal sommigen bekend voorkomen, als term uit de woordenschat "van links". Ook een ander woord dat in het vertoog van de zogenaamde neoliberalen een belangrijke rol speelt komt van Gramsci: de società civile, het geheel van niet-statelijke instel lingen of culturele uitingen in de ruimste zin van het woord, dat een rol speelt in de vormgeving van de maatschappij. Omdat de rechtse ideologen de herkomst van dit begrip - dat toch al niet te rijmen is met het wegwuiven van de idee van "de maatschappij" - liefst verdoezelen figureert het in de huidige propagandastrijd als een Anglo-Amerikaans uitvindseltje, civil society. Het uitbouwen hiervan is, zo moeten we begrijpen, vooral belangrijk in mislukte staten (voordat de staat terugtreedt moet hij eerst gelukt zijn). De ideologische warboel van het neoliberalisme heeft wel degelijk zijn rol gespeeld als vormgevende kracht, de afgelopen jaren. Tot die andere 11e september?

Deze Rijksdagbrand van de repressieve, staatsminnende rechterzijde in de Verenigde Staten - toch al aan het bewind gekomen zonder kiezersmandaat - kondigt in ieder geval een ander ideologisch vertoog aan. Is Europa nu een achterblijvertje als de retoriek van de terugtredende staat er nog klinkt - zie het nieuwe regime in Den Haag - of ontstaat er echt een verschil? In de Verenigde Staten is big government in ieder geval de nieuwe stijl. Er is tenslotte een oorlog te voeren, tegen een abstractie, een -isme dat in tegenstelling tot andere -ismen geen staat achter de hand heeft, en daarom misschien juist elke staat die er te kiezen valt als het zo uitkomt. Dit houdt een belangrijke breuk in binnen de rechterzijde. Het zou een ernstige vergissing zijn als men dacht dat het Bush-regime een meerderheid in de Verenigde Staten vertegenwoordigde, of zelfs maar van rechts, afgezien van de wijze waarop dit bewind tot stand is gekomen. De Verenigde Staten zijn niet zo eendimensionaal. Michael Moore voert nog steeds de bestsellerlijsten aan. En ter rechterzijde is menigeen ongelukkig met big government. De beste informatiebron ten aanzien van het "nieuwe" oorlogszuchtige Amerikaanse imperialisme komt van de anti-etatisten van rechts: Antiwar.com, op het net sinds 1995. Voor wie denkt dat de ideologie van rechts monolithisch is een openbaring - die nog wel eens als een steen op de maag ligt, natuurlijk.

Het is treurig dat de linkerzijde nog steeds voor de voeten wordt gelopen door dinosauriërs die nieuwe partijen willen oprichten. Maar ook hieraan kunnen we een conclusie verbinden, die zich al aandient als men de ideeënkracht van rechts van de afgelopen decennia bekijkt. Het is wel degelijk weer tijd voor een groot verhaal, voor een ontwerp - een utopie, een schets, een droom. Die hoeft niet ver te gaan - Groenen als Michael Moore en George Monbiot houden het op een herstel en uitbouw van de parlementaire democratie. Daar is niets op tegen, maar het mag zeker verder. Laten we het er vooral goed over hebben hoe de andere wereld die mogelijk is er uit zou kunnen zien.

[Geschreven herfst 2003. Uit de ruimen van Christianarchy.]

Geen opmerkingen: