05 september, 2013

Zdwórz, 1990

Zdwórz heette de bestemming die onze gastvrouwe in Warschau als kampeeroord voor ons had uitgezocht. Niet te ver van de stad en toch helemaal buiten, bij een meer en bij de bossen. We moesten maar kijken hoe het er was, als het beviel ging ze er later zelf naar toe.

Een busreis van ruim twee uur brengt ons bij een halte op een punt waar zo goed als geen huis staat. Er bestaat eenvoudigweg niet zoiets als een dorp Zdwórz. Er is een camping, een kampwinkel, een schoolgebouw dat bij nader inzien als discotheek dienst blijkt te doen, een café en ... nu ja, nog een café, maar dat heet dan dancing. Op het terrein van de camping bevindt zich het 'punkt gastonomiczny', waar men in de rij kan staan voor friet en worst, of - ander loket - voor een ijsje. Dat is zo ongeveer het dorp.

Het kampeerterrein ligt aan een meer dat voor het grootste deel door rietkragen buiten het zicht valt. Wat het in Polen menigmaal terugkerende gevoel 'ach gut, de jaren vijftig' oproept is het strand: een beetje zand en vooral veel gras, bezaaid met plukjes gezin in degelijke zwempakken. Een soort kruising tussen Muiderberg, het armeluis-Zandvoort van decennia her, en de Sloterplas. Foto: Dolf Kruger, maar dan steeds als levende werkelijkheid voor je ogen. In het meer gaat men zwemmen, of eigenlijk mag het die naam niet hebben, want het water blijft tot nu-ben-je-echt-van-iedereen-het-verst ondiep. Waterplanten, kiezels (of mosselen?) en modder maken het geen onverdeeld genoegen het water in te gaan.

Voorzover het mogelijk zou zijn te zwemmen in dit ondiepe water maakt het gedisciplineerde te water gaan van de Polen dit juist onmogelijk. Er is een piepklein stukje meer met touwen afgezet, en het is een raadsel hoe er zoveel mensen in zo'n klein stukje water passen. Op het land beramen horzels en daasvliegen (zijn die beesten niet ook erg jaren vijftig?) voortdurende aanvallen.

Aan de andere kant van de weg liggen bossen waar je uren in kunt wandelen, en waarin herten, kikkers en wespen de enige opvallende levende zielen zijn die je tegenkomt. Af en toe lijkt de bewoonde wereld zich aan te kondigen in de vorm van een korenveld, waarin klaprozen, oot en korenbloemen als bijzonder talrijk opvallen. Onze Warschause gastvrouw, biologe, noemt het een zegenrijk gevolg van de hyperinflatie dat de boeren geen bestrijdingsmiddelen meer kunnen bekostigen. Dat scheelt een hoop gif, en inderdaad, zulke mooie akkers zie je in Nederland niet. Velden met ooievaars doen je zelfs twijfelen aan de rampenverhalen over 'het milieu' in Polen, vooral ook omdat de bomen er goed bijstaan. Maar Zdwórz is niet Silezië, dat de rook van Oost-Duitsland en Bohemen ook nog eens meekrijgt.

Wij zijn beslist de enige niet-Polen die Zdwórz op dat ogenblik met een bezoek vereren. Auto's met buitenlandse kentekens blijken te behoren bij Polen die het 'gemaakt hebben' in het buitenland. Met het pellen van bollen? Een echtpaar verrast ons met een conversatie die wij niet alleen helemaal horen, maar ook zo goed als helemaal kunnen volgen. Wat ze spreken klinkt naar Twente of Achterhoek. Landgenoten? Ten antwoord stappen ze meteen in een Polski Fiat, het zijn dus leden van de minderheid der Volksduitsers waar Herr Kohl zich zo druk voor gemaakt heeft na de Wende. Het Europa der Volkeren aanschouwelijk bij het doucheblok op een afgelegen camping in Polen.

Het bezit van een draagbare cassetterecorder is een zichtbaar en hoorbaar statussymbool voor de kampeerders, net als het Fiatje dat steeds bij de tent staat. Fel en verbeten biedt men tegen elkaar op in hooggezongen disco van Italiaanse zangeressen die op hun boezem geselecteerd zijn, niet op hun stem. Onze naaste buren, de man met een panslavisch ogende baard, zetten tegen het Italiaanse geweld Poolse muziek in van het genre dat in Nederland 'Nederlandstalig' of 'piratenhits' zou heten. Het diepe Midden-Europa van het gewone volk: frites, worst en makkelijke moppies. Niet wat Kundera of Konrád bedoelen als ze het over Midden-Europa hebben en daarom waarschijnlijk waarheidsgetrouwer.

De kampwinkel heeft 'vandaag helaas geen brood', geeft men met een korzelige lach te kennen. Het blijkt al snel dat er achter dit staaltje van post-socialistische distributiekunst meer schuilgaat dan onvermogen.

Er is een duidelijke taakverdeling tussen kampwinkel, kampcafé en dancing. De belangrijkste waar in de winkel bestaat uit bier, merk: Staropolskie, dat men in kratten tegelijk ophaalt. Het inleveren van een leeg flesje of lege krat wordt door de winkelier automatisch beantwoord met het aanreiken van een vol flesje of een volle krat, een transactie waarbij verder geen woord valt. Het is niet te zeggen of dit voortkomt uit een slecht geweten: er wordt, tegen de nieuwe wetgeving in, ruim vóór een uur 's middags alcoholische drank verstrekt. De gevolgen zijn er naar. Om tien uur 's ochtends staat menigeen met roodaangelopen hoofd, pilsfles in de hand, onbekwaam te brullen. Voor dit genoegen tekent de kampwinkel.

Het café levert sterke drank: wodka en jenever. Doordat de consumptie van deze drank zich in het lokaal afspeelt kan ik over de effecten van deze alcoholica verder niets zeggen. De dancing levert bier, merk Kasztelańskie. Gedanst wordt er niet. Op de zandheuvel waarop de dancing zich bevindt staan enkel uit boomstronken opgetrokken zitjes en tafeltjes. Hieraan drinkt men. Als gekke buitenlanders drinken wij uit een glas. Dit blijkt nog grappiger dan de vraag naar brood. De Poolse klanten drinken uit het flesje, en bestellen niet één rondje en, nou-ja-vooruit-doe-me-er-nog-maar-eentje, zoals getrainde Amsterdamse horecabezoekers - de Polen kopen meteen een stuk of vijf flesjes tegelijk. In twintig seconden wordt er een achterovergeslagen. Dan begint men aan het volgende. De taak wordt zwijgend en met een ernstig gezicht uitgevoerd. Zijn de vijf op, dan gaat men met de lege flesjes naar de bar en krijgt men weer vijf volle.

Een enkele klant haalt het einde van de eerste flesjesronde al niet ongeschonden. Op ons eerste terrasbezoek zien we binnen vijf minuten twee mannen hun broek volpiesen: zelfs niet in staat het op te houden, laat staan naar de latrine te wankelen. Het weet ze niet te weerhouden van doordrinken, en evenmin van autorijden. Waggelend, regelmatig omvallend, loopt men mopperend weg als het geld op is of zelfs de kastelein het schenken niet meer verantwoord acht. Men bereikt tenslotte de auto, ploft schijnbaar bewusteloos horizontaal op de achterbank en dan, als je even niet hebt opgelet, is de auto toch weg. Gelukkig zijn auto's schaars op de weg tussen Gąbin en Płock‎.

Het Poolse bier is van het pilsener type, minder bitter dan het gangbare Nederlandse soort en dus - vinden wij - lekkerder. Dat vinden ook de Poolse jongens die op een gegeven ogenblik op de stronken naast ons gaan zitten. "Lebe das polnische bier, Polen über alles", laten ze luidruchtig weten. Zaak om even duidelijk te kennen te geven dat wij geen Duitsers zijn. Nederland, dat vinden ze wel lollig. Wat spreken ze daar? Houdt men er ook van skinheads? Punk is absoluut passé, je moet skinhead zijn in Polen. Ik voel me niet erg op mijn gemak, twee weken geleden nog zijn mensen die ik ken in Berlijn afgetuigd door skinheads. Hoe hierop te antwoorden zonder de waarheid veel geweld aan te doen en toch ook zonder eventuele ultrarechtse sympathieën van onbekende Poolse jongens te kwetsen? Want drinken in de zon kan snel tot agressief gedrag leiden, en waar is het goed voor?

Ach, in Nederland hoort het meer bij voetbalvandalisme, en dat vinden de meeste mensen niet leuk, zeg ik zo achteloos mogelijk. Mijn metgezellin neemt de zaak griezelig laconiek op. 'Zijn jullie skinhead?' vraagt ze. Rare vraag: ze hebben beide haar van normale lengte, de ene zelfs met coupe soleil. In de Nederlandse jeugdcultuurverhoudingen zou ik ze als 'mod' bestempeld hebben.

'Ja wij zijn skinheads', zegt de jongen met het tweekleurige haar apetrots. Brede grijns, en nog eens een bevestiging. Voor mijn metgezellin het overtuigende bewijs dat het onschuldige jongens zijn die niet weten waar ze het over hebben. Wij zijn zeker niet door het oog van de naald gegaan. Neem nog een Kasztelańskie!

- Uitspraak van de plaatsnamen in deze brief: Zdwórz = Zdvoezj; Gąbin = Gombin; Płock‎ = Pwotsk.

- Oorspronkelijk verschenen in Arcade - Jaarboek voor Ambulante Wetenschappen 4

Geen opmerkingen: