13 december, 2006

Ourobouros - een variant


"Kijk, van voren is hij net zo leuk als van achteren." Ik begreep niet tegen wie zij het had, maar de formulering leek er op te wijzen dat de opmerking niet in de eerste plaats voor mij bedoeld was. Het was een forse zwartharige vrouw en zij had mij geknepen terwijl ik aan de bar stond te wachten op een ronde pils voor mijn gezelschap. Ik wist niet wat ik moest terugzeggen dus liep ik maar met de glazen naar de vrouwen voor wie ik de pils had gehaald. Ik vertelde hen wel wat er gebeurd was.
"Op zoiets ga je toch niet in, hè?" vroeg een van de meisjes mij op bezorgde toon. Algemene instemming bij de anderen. Wat ik hierop had moeten terugzeggen was al wat duidelijker, maar het viel goed te bedenken waarom ik het niet zei. Enkele dagen tevoren had ik vernomen dat degene die mijn huissleutel nog had (en wier sleutel ik nog had) een ander had, "en die ken je wel." Wat er aan die huissleutels vastzat was plotseling weggeslagen. Mijn machteloze woede en verdriet kon ik in dit gezelschap niet ter sprake brengen. Het vervolg kon dus al helemaal niet: "Elk van jullie vind ik leuker dan de vrouw die mij net geknepen heeft. Ik heb behoefte aan een troostend paar armen. Of meer." De feministisch verantwoorde reactie zou dan misschien zijn geweest dat ik maar naar een man moest uitkijken. Maar het was ook niet wat ik zei. "Nee, natuurlijk niet," antwoordde ik met enige aarzeling maar toch oprecht, omdat ik niet wist wat "er op ingaan" kon inhouden.
Ze zat er nog toen we afrekenden, en ze merkte iets in mijn houding. "Je aarzelt. Geef maar toe dat je geïnteresseerd bent." Ik kon het niet ontkennen. Ik hield het voorbehoud dat het geen ingrijpende gevolgen zou hoeven te hebben. Het woord interesse gaf mijn houding afdoende weer. Het was sluitingstijd, maar zij wist nog wel een café waar we terechtkonden. Naar mijn weten was dit ook dicht inmiddels. "Ja, maar ik ken de eigenaar." We konden er inderdaad nog drinken.
Er leek geen verband te bestaan tussen de mensen aan de bar (wie was dan die eigenaar?) en de vrouw die mijn interesse had gewekt. Verband tussen haar en mij was er daar al evenmin. Een goed kennismakingsgesprek was onmogelijk. Waar moest dit naartoe? De drank bezorgde mij een mate van kribbigheid die in het onbekende gezelschap net niet uitkwam. En toen zij en ik eenmaal buiten stonden maakte ze duidelijk wat ze wilde. En mijn mengsel van aarzeling en interesse was zwak genoeg om die wil uit te laten komen.
"Ik wil dat je je dierbaarste plaat opzet. Jouw dierbaarste plaat dus, wat je het liefst hoort." Ze zei dat ze verliefd was en dat zoiets intiems er bij hoorde om mij helemaal te leren kennen. Het moest een LP zijn. Opnieuw aarzelde ik in alle eerlijkheid. Werd het Hums of the Lovin' Spoonful of Rose of Cimarron van Poco dat ik net een dag in huis had en waar ik een tijd naar gezocht had? Of kon het allebei? Ik moest beslissen van haar. "Het is in ieder geval iets heel anders dan J.J. Cale of wat anderen altijd hebben."

De affaire duurde net zes weken. Ik hield mij voor dat ik niet verliefd was maar dat ik zoiets niet kon zeggen of zelfs maar kon laten blijken. Waarschijnlijk waren we voor elkaar degene die we nodig hadden wederzijds. Op een avond in de woning van een eigenaar van weer een ander café vertelde zij dat de eigenaren van de tent waar wij ter kennismaking naar toe waren gegaan vonden dat het uit moest zijn tussen ons. "Ze vinden je een proleet. En dat ben je ook. Jammer evengoed." Ik had mijn best gedaan en voelde nu zwaar de vergeefsheid van dit streven naar niets - en eigenlijk was het dan ook weer een opluchting. Ze stond op het balkon toen ik mijn fiets van het slot haalde. Ik wees in de lucht, ze begreep mijn gebaar niet. "Vleermuizen!" Ik had ze nog nooit in de ochtendschemering gezien.

Mijn lief en collega-deejay Godiva en ik kwamen er regelmatig, meestal voor een wekelijks etentje, soms overdag voor de lunch. Zo was het ook op de dag waarop Johnny Cash stierf. De barman van wie we het nieuws hoorden speet het dat hij niets van de overledene ten gehore zou kunnen brengen, en hij zou vanavond ook nog wel deejay zijn in dezelfde gelegenheid. Maar ik had net een LP gezien bij een marktkoopman, met vroeg werk van de zanger, en de plaat kostte niet veel. Ik gaf te kennen dat ik hem wel wilde halen zodat hij toch Johnny Cash kon laten horen. Barman-deejay gaf het geld en was zeer opgetogen. En zo kwam ter sprake dat wij ook deejays waren, eigenlijk bij de radio, maar dat leek voorbij - en we zochten een plaats om onze lievelingssport te beoefenen. Eventueel ter promotie van het radiostation dat, wilde het niet ten onder gaan, elke publiciteit kon gebruiken.
Er was nog wel plaats op een enkele vrijdagavond, als we wilden. Of we wilden... Het was vooral een kwestie niet te gretig te reageren, maar toch duidelijk genoeg te laten blijken dat we beschikbaar waren. Wat zou het motto zijn waaronder wij bekend gemaakt moesten worden voor het publiek? De verschrikkingen van gouwe-ouwe-formats en adult oriented rock in gedachten houdend kwamen we op een negatieve formulering: "Beslist geen Eagles." Dus dit werd de aankondiging. Maar ik wist al wat ik als eerste zou gaan draaien in deze tent. "Wat denk je: vindt de baas mij een proleet?" vroeg ik aan de barman-deejay toen het ogenblik waarop we zouden starten naderde. "Hoe kom je daarbij? Waarom - dat ben je toch helemaal niet?" Ik nam de LP ter hand... en meteen schoot een aangeschoten witte Zuidafrikaan op mij af. Of ik Hotel California van The Eagles ging draaien. We konden verwijzen naar de aankondiging op de muur. De hoes van de LP van Poco leek nogal op die aller-tijden-verschrikking. De Zuidafrikaan dacht zelfs dat het Hotel California was. Het moest dan altijd nog omgekeerd zijn: de plaat van Poco was ouder. Het incident leidde zelfs nog tot discussie: was Poco niet eigenlijk net zoiets als The Eagles? Ferm en terecht werd besloten dat dit niet zo was. En na Al Caiola's Magnificent Seven, onze herkenningsmelodie, kon ik er Too many nights too longvan Poco ingooien. Ik was erkend als niet-proleet.

Wat volgde was een reeks avonden als in een roes, zowel voor Godiva als mij. Draaien voor een zichtbaar publiek, meteen merken of - of liever: dat - iets goed viel, vragen: "wat was dat?", zonder het gezeur van "heb je niet iets swingends?", want het was niet de bedoeling dat men ging dansen. Al is dat laatste toch ook gebeurd. En de tweede keer al brak ik met de aankondiging, toen ik een plaat bemachtigd had van een Engelse gitaargroep die The Eagles heette: graag Eagles!
Op een avond waren de draaitafels helaas niet beschikbaar - of het erg was dat er alleen cd's gedraaid konden worden of eventueel cassettes? We konden leven met het tekort. Het was de avond waarop een jonge Engelsman op mij afkwam. Of ik iets van The Beatles had. Niet bij mij. The Stones dan. Ook niet. The Who? The Kinks? Ik moest uitleggen dat we het belangrijkste werk op vinyl hadden en dat we om technische redenen nu alleen cd's konden draaien - een beperking, maar misschien zat er toch wel wat aardigs tussen deze tweede keus. Hij ging teleurgesteld zitten. Ik schatte zijn voorkomen en dat van zijn metgezellin met een oogopslag terzijde en startte Earl Van Dyke. Blijde verrassing, vooral bij hem. Darrell Banks. Lou Johnson. Ze leken verbijsterd en waren eigenlijk onhoudbaar, maar het was nu eenmaal geen danstent. Zij besefte dit beter dan hij en ze probeerde hem in toom te houden. In de zekerheid dat ik goed geoordeeld had stapte ik even op hem af en zei dat ik begreep dat hij niet uit Rugby Union Country kwam. Ze maakten tersluiks een foto van mij en tenslotte gingen ze weg, om echt te kunnen dansen waarschijnlijk. Hij gaf mij een hand en zei iets wat ik in het geheel niet kon verstaan maar waarvan ik de strekking kon raden. Het woord roes is het enige toepasselijke: pas toen het stel vertrok nog tijdens mijn geïmproviseerde northern soulsessie drong het tot mij door dat er nog andere mensen in de zaal waren. Maar die kunnen toch niet ontevreden zijn geweest, ook al hadden ze al een tijd niets gehoord wat ze kenden.

Even plotseling als het begon was het voorbij. Ik wist niet dat het de laatste keer was toen de barman-deejay die ons er bij gehaald had om een reprise van Love will tear us apart van Joy Division vroeg. Niet zo'n goede plaat voor een café vond ik, maar ik had al gezondigd tegen deze eigen beoordeling. Hij sprong met wat anderen in de rondte. Na afloop nam een van de vele mooie barmeisjes Godiva terzijde. Zij vond haar de beste deejay, speciaal voor de vrijdagavond, ik was meer geschikt voor zondag. Maar wij waren hoe dan ook graag geziene gasten. En zij was de nieuwe eigenares van de zaak, samen met haar vriend die ook deejayde. Hij liet het liefst techno horen en was naar wij vermoedden juist niet blij over onze brede keuze - afgezien van zijn wijsneuzigheid dat cd's toch altijd beter waren dan vinyl.
Maar of het daaraan lag dat wij vervolgens te horen kregen dat de agenda volzat tot aan de zomer en dat alles toch nog eens bekeken moest worden? We werden langzaamaan wakker uit de roes. Gingen er nog wel uit eten, maar merkten ook dat presentatie en menu "opgeyupt" werden, evenals de prijzen. En de nieuwe eigenares begroette ons nogal afstandelijk. Ik weet niet of ze dicht in de buurt van het café woonde, maar dat zou best het geval kunnen zijn. Op een avond rond achten stonden haar vriend en zij op het punt te vertrekken, maar zo te zien had zij nog van alles te bespreken met de collega's die nu plotseling haar personeel waren. Hij ging weg, met duidelijk geëtaleerd ongeduld: "Ik ga thuis alvast liggen hoor."
Een onvervalste proleet! Hoewel we aan onze derde trappist bezig waren was de roes voorbij. We zijn er niet meer teruggekomen.

Geen opmerkingen: