10 september, 2021

Wat doe ík hier eigenlijk?

 


Het is de titel van een reisboek waarvan de schrijver zich dit niet bepaald ten onrechte afvraagt: waarom ben ik hier? De Authentieke Ervaring die men dient te hebben als reiziger in plaats van toerist bestaat nu eenmaal niet. Waar men niet woont zal men niet aanvoelen wat het is er te wonen, opgegroeid te zijn, een vak uit te oefenen, een aantal mensen te kennen, misschien van jongs af aan. En nu is Goch een voorvaderlijk stedeke, net over de schreve met het Brabantse wurmpje op de kaart dat bij de Nederlandse provincie Limburg hoort.

Het zijn ook de lotgevallen van de historie die het tot een Brandenburgs, en zo vervolgens Pruisisch en tenslotte (West-)Duits stadje hebben gemaakt. Het had anders kunnen lopen. Maar in concreto is het resultaat van de geschiedenis – een docent geschiedenis omschreef het vak kortweg als “kennis van het concrete” – dat het Nederrijnse gebied, het Land van Kleef, het hertogdom van ooit, wel als deel van de Nederlanden en niet van Nederland kan gelden. Dit verschil is voor zich patriot wanenden in Nederland onbegrijpelijk. Tot de voorlaatste eeuwwisseling was Nederlands in kerk en ambtenarij de gangbare taal en het Kleverlands zou men als behorende tot de in Nederland gesproken dialecten kunnen rekenen. Die – al sinds de Pruisische overheersing omstreden – Nederlandse aanwezigheid verklaart waarschijnlijk het gemak waarmee de voorzaat wiens namen ik draag van Goch naar Schiedam verhuisde, in de Franse tijd. Hoe dan ook waren grenzen toen nog niet wat ze eigenlijk pas in de twintigste eeuw zijn geworden. Dat het Land van Kleef, en meer bepaald Goch, op een soort irredentistische wijze naar aansluiting bij “Nederland” heeft zitten wachten zou alleen in ontspoorde Nederlandse breinen kunnen opkomen. Het Staatse leger heeft de stad tijdens de Tachtigjarige Oorlog bezet gehouden en is genocidaal te keer gegaan tegen de katholieke bevolking. Het Pruisische bestuur was op godsdienstig terrein veel toleranter.

Immigratie naar de kusten van de Noordzee was al sinds de zestiende eeuw gaande, vaak voor seizoensarbeid, hannekemaaiers, en voor wat men nu ambulante handel noemt, marskramers en kiepkerels, en velen streken op den duur neer in de Republiek. De Bataafse Republiek stelde het burgerrecht in en dat gold ook voor immigranten, joods of katholiek. En in die dagen ging mijn voorzaat naar Schiedam om als zakkendrager voor de jeneverindustrie te gaan werken. Of dit ambacht – jazeker, er was een gilde – ook in Goch werd uitgeoefend zou ik niet weten. De rivier de Niers lijkt mij niet geschikt voor handelsvaart.
 
 

Sinds kort heeft de zakkendrager (“kaaiwerker”) een monument aan de Waal in Nijmegen. Het beeld is zwaar gesponsord zoals u kunt zien, want kunst moet wel betaalbaar zijn. En zeker als verwezen wordt naar zware arbeid die als vanzelfsprekend strijd met zich meebrengt. Dat moeten we niet hebben.
Maar ik ben in Goch om wat eraan voorafging op te snuiven: heeft mijn naam sporen achtergelaten, wat deed een wees daar op het eind van de achttiende eeuw? Er staat geen historicus op mij te wachten bij de stadsbibliotheek, die ik aan mij voorbij heb laten gaan, trouwens – zoveel tijd heb ik niet uitgetrokken. Het was een eerste kennismaking.

Industrialisering vond pas plaats in de negentiende eeuw, dus boerenknecht of keuterboer lijkt mij geen slechte gok. Maar tot mijn verrassing vind ik wel een mogelijke verwijzing naar mijn naam op een kaart uit 1650, de Eijgenraeijstraet (hiermee zorg ik voor de treffer op die naam op het net).
 
Dit klinkt agrarisch en stedelijk tegelijk, het blok waar straat nr.21 deel van uitmaakt heeft een hof.
De straat is in het huidige stratenplan niet terug te vinden. De stad is beschadigd door oorlog, meest van al de laatste. De Steenpoort mocht blijven staan, de Canadese generaal die hem gespaard heeft heeft een eigen straatnaam in Goch gekregen. De Maria Magdalenakerk is in 1993 deels ingestort, vandaar de nieuwe klokketoren. Het moet de kerk zijn waar mijn voorzaat en diens (voor-)ouders ter kerke gingen en waar hij gedoopt is, en waar de familie in de hof begraven is. Van dat kerkhof is niets meer over.
 
  

Toch moeten de begraafplaatsen een sleutel zijn, als er sporen te vinden zijn. De oude begraafplaats is opgegeven, er staat onder andere een monument voor burgemeester Van den Bosch (met dodenmasker), wiens belangrijkste wapenfeit in het leven, is mij verteld, is dat hij de eerste automobilist van de stad was. Ik zeg niets…
Voor speuren op de nieuwe begraafplaats was geen tijd, althans, toen we er aankwamen was de avond nabij. Een verdrietig makende lijst van gevallenen in de Eerste Wereldoorlog staat bij de toegangspoort. Allemaal “Nederlandse” achternamen, één Devries, wat in Goch naar ik begrijp een “joodse” achternaam is. De grens een paar kilometer oostwaarts en ze waren niet gesneuveld voor – ja, waarvoor? De kronkelwegen van de geschiedenis.

En de levenden? Is dat lief kijkende ons groetende meisje, “Love” op haar trui, misschien ook (verre) familie? Ik heb één verzekeringsagent ontwaard met een naam die uit mijn Gochse voorgeslacht stamt. Geen bekende naam bij de dodenlijst op de begraafplaats.
En geestverwanten? Soms heb ik het gevoel dat Felix Ortt had, toen hij zich tijdelijk verbande naar Nijmegen, “verlos mij van mijn geestverwanten”. Wat voor anarchisten hanteren tevens hamer en sikkel? Ze zijn wel actief op de muren in Goch.
 
 

Maar er is nog wel wat uit te zoeken, en ook al is er weinig over van de stad van vroeger, in de zomerzon is bijna alles mooi en aardig. Zeker de zwerm huiszwaluwen die aan de daklijst van een bepaald huis hun domicilie hebben, hun zomerhuis.

Geen opmerkingen: